ECLI:NL:RBAMS:2023:2994

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 mei 2023
Publicatiedatum
10 mei 2023
Zaaknummer
AMS 23/2297
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 AwbArt. 3:40 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen invoering betaald parkeren wegens ontbreken spoedeisend belang

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft op 11 mei 2023 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker bezwaar maakte tegen de invoering van betaald parkeren in een specifiek gebied. Verzoeker stelde dat het besluit in strijd was met artikel 3:40 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat sprake was van détournement de pouvoir omdat het besluit vooral was genomen vanuit een financieel motief.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er sprake is van onverwijlde spoed. Verzoeker kon een parkeervergunning aanvragen voor € 40,- per jaar en had niet aannemelijk gemaakt dat hij in acute financiële nood verkeerde of dat hij deze kosten niet kon betalen. Tevens werd opgemerkt dat als verzoeker in bezwaar of beroep gelijk krijgt, het betaalde bedrag kan worden teruggevorderd.

Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is bindend, zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de invoering van betaald parkeren wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/2297

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2023 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. H. ten Kortenaar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de invoering van betaald parkeren in het gebied [naam gebied] in [plaats] .
1.2.
Met de brief van [medio 3] februari 2023 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat voor het gebied [naam gebied] per [medio 1] april 2023 betaald parkeren met vergunning wordt ingevoerd. Met de brief van [medio 2] maart 2023 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld op welke manier hij een parkeervergunning kan aanvragen.
1.3.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het verweerder wordt verboden om betaald parkeren in te voeren.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft – kort samengevat - aangevoerd dat de invoering van betaald parkeren in strijd is met artikel 3:40 van Pro de Awb. Er is in het gebied geen parkeerdruk van 85% en het besluit om betaald parkeren in te voeren is niet gepubliceerd. Verzoeker voert aan dat sprake is van overtreding van het verbod op détournement de pouvoir op grond van artikel 3:3 van Pro de Awb. Het heeft er namelijk alle schijn van dat het besluit tot invoering van betaald parkeren vooral is genomen vanuit een misplaatst financieel motief.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Uit de stukken is gebleken dat verzoeker een parkeervergunning kan aanvragen voor € 40,- per jaar. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt. Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat hij in acute financiële nood verkeert en dat hij die € 40,- niet zou kunnen betalen. Mocht verzoeker in bezwaar of beroep in het gelijk worden gesteld, dan kan verzoeker dat bedrag terug krijgen van verweerder. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.