Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de korpschef van politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
18 maart 2021 heeft verweerder de Landelijke Adviescommissie PTSS (hierna: de commissie) geïnformeerd dat de incidenten 1, 2, 3 en 4 geen verband houden met de aan eiseres opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze werkzaamheden moesten worden verricht en dat deze incidenten derhalve niet kunnen
A-criterium van de DSM wordt voldaan. De rechtbank heeft op zitting uitgesproken twijfels te hebben over deze vergaande toets van de commissie. Verweerder heeft hierna nog een aanvullende reactie van de commissie overgelegd, maar deze reactie heeft de twijfels bij de rechtbank niet weggenomen. De rechtbank stelt voorop dat uit hoofdstuk 7 van het protocol blijkt dat de commissie zich uitsluitend ervan vergewist of de gestelde diagnose voldoende onderbouwing geeft dat aan de criteria van DSM wordt voldaan. Vast staat dat in het deskundigenonderzoek niet per incident is beoordeeld of voldaan is aan de DSM-criteria. De deskundige heeft enkel geconcludeerd dat sprake is van een opeenstapeling van incidenten en de diagnose PTSS gediagnostiseerd. Bij bepaalde incidenten heeft de deskundige zich meer uitgesproken dan bij andere incidenten. De rechtbank kan niet anders dan veronderstellen dat de commissie vanwege het gebrek aan informatie zelfstandig heeft proberen te concluderen welke incidenten hebben geleid tot PTSS. Dit is echter onzorgvuldig en vindt geen steun in het protocol. Immers, uit het deskundigenoordeel volgt ook niet dat voor de incidenten 1,4 en 9 niet wordt voldaan aan alle DSM-criteria. Naar het oordeel van de rechtbank kan het feit dat de deskundige zich niet expliciet per incident heeft uitgesproken niet ten nadele van eiseres wegen. Indien de commissie twijfelt of de incidenten 1,4 en 9 voldoen aan de DSM-criteria, lag het op de weg van de commissie om eiseres een van de drie opties uit hoofdstuk 7 van het protocol voor te leggen. Op die manier kan namelijk de onvoldoende onderbouwing van de diagnose per specifiek incident worden weggenomen. Dit heeft de commissie ten onrechte niet gedaan. Zoals uit het voorgaande volgt, oordeelt de rechtbank dan ook dat het advies ook op dit punt niet toereikend is onderbouwd. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
16 juli 2021 [3] .
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2023.