Art. 2:241 BWArt. 2:248 BWArt. 2:248 lid 7 BWArt. 6:162 BWArt. 120 lid 2 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling verwijzings- en vrijwaringsincident in bestuurdersaansprakelijkheidszaak
In deze zaak vordert de curator van het faillissement van een besloten vennootschap dat de gedaagde, als indirect enig bestuurder en aandeelhouder, aansprakelijk wordt gesteld voor het faillissementstekort op grond van onbehoorlijk bestuur volgens artikel 2:248 BWPro.
De gedaagde verzoekt de rechtbank om de curator niet-ontvankelijk te verklaren wegens een vermeend fataal gebrek in de dagvaarding en om de zaak te verwijzen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waar de oorspronkelijke dagvaarding was ingediend. Tevens verzoekt hij om derden in vrijwaring op te roepen.
De rechtbank oordeelt dat de curator niet heeft geprobeerd het gebrek in de oorspronkelijke dagvaarding te herstellen, maar een nieuwe dagvaarding heeft uitgebracht bij de rechtbank Amsterdam, die bevoegd is op grond van artikel 2:241 BWPro. De vordering tot verwijzing wordt daarom afgewezen. De vrijwaringsvordering wordt toegewezen omdat de genoemde derden mogelijk mede beleidsbepalers waren en mede aansprakelijk kunnen zijn.
De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van het niet-ontvankelijkheids- en verwijzingsincident, terwijl de proceskosten in het vrijwaringsincident worden gecompenseerd. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling van de hoofdzaak.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verwijzing af en staat de vrijwaringsvordering toe, waarbij de gedaagde in proceskosten wordt veroordeeld.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/727798 / HA ZA 23-21
Vonnis in incidenten van 17 mei 2023
in de zaak van
[eiser]
in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam vennootschap] B.V.,
te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. S.D.M. Piet te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. P.A. van Lange te Rotterdam.
Partijen worden hierna de curator en [gedaagde] genoemd. [naam vennootschap] B.V. wordt hierna [naam vennootschap] genoemd.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 28 december 2022, met producties,
de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid, onbevoegdheid en verwijzing en oproeping in vrijwaring van [gedaagde] ,
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De vordering in de hoofdzaak
2.1.
De curator heeft in de hoofdzaak gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan het tekort in het faillissement van [naam vennootschap] , op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot van € 90.000,-, met de wettelijke rente, plus buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Kort gezegd stelt de curator dat [gedaagde] op grond van artikel 2:248 BWPro als indirect enig bestuurder (en aandeelhouder) van [naam vennootschap] aansprakelijk is voor het faillissementstekort, omdat [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [naam vennootschap] .
3.Het geschil en de beoordeling daarvan in de incidenten
3.1.
[gedaagde] heeft gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- de curator niet ontvankelijk verklaart in de behandeling van de voorliggende dagvaarding bij de rechtbank Amsterdam,
- bepaalt dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is om kennis te nemen van de aldaar voorliggende dagvaarding van 30 november 2022 en de daaruit voortvloeiende vorderingen en de zaak naar die rechtbank verwijst;
- dat hem wordt toegestaan Kik Beheer B.V., Eurotraffic Holding B.V. en [naam] in vrijwaring op te roepen.
Verder vordert [gedaagde] dat de curator wordt veroordeeld in de proceskosten van de incidenten.
Kik Beheer B.V., Eurotraffic Holding B.V. en [naam] worden hierna Kik Beheer, Eurotraffic en [naam] genoemd.
3.2.
De curator heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen tot niet-ontvankelijkheid en verwijzing. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank in het vrijwaringsincident. De curator heeft gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten in de incidenten.
de ontvankelijkheid en de verwijzing
3.3.
Tussen partijen staat vast dat de curator [gedaagde] bij dagvaarding van 30 november 2022 heeft opgeroepen om op 14 december 2022 te verschijnen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de oorspronkelijke dagvaarding). De curator heeft [gedaagde] daarna, bij dagvaarding van 28 december 2022, opgeroepen om te verschijnen bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de dagvaarding). Behalve deze verschillen bevatten beide dagvaardingen dezelfde inhoud en vorderingen. De curator heeft daarover toegelicht dat de oorspronkelijke dagvaarding niet (tijdig) is aangebracht bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, omdat er iets mis is gegaan bij de post, waarna hij ervoor heeft gekozen om [gedaagde] opnieuw te dagvaarden, maar dan voor de rechtbank Amsterdam op grond van artikel 2:241 BWPro. De vordering in de hoofdzaak is namelijk een bestuurdersaansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 2:248 BWPro, zodat bevoegd is de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen [naam vennootschap] woonplaats heeft. Dat is Amsterdam.
3.4.
[gedaagde] heeft toegelicht dat hij de voorkeur geeft aan het voeren van de procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, omdat dit dichterbij is voor hem en zijn advocaat en hem dit daarom ook advocaatkosten scheelt. Hij heeft het volgende aangevoerd. De curator is niet-ontvankelijk in zijn vordering, omdat de curator het herstelexploot van 28 december 2022 conform artikel 120 lid 2 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vóór 14 december 2022 had moeten uitbrengen. Dit is een fataal gebrek dat niet meer kan worden hersteld, zodat de curator niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Subsidiair wil [gedaagde] dat de zaak wordt verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Aangezien het herstelexploot niet voldoet aan artikel 120 RvPro, is de originele dagvaarding van 30 november 2022 nog van kracht en kan de procedure worden voortgezet bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarnaast heeft de curator in strijd met de goede procesorde [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen om de zaak aan te brengen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant conform artikel 127 lid 1 RvPro, omdat [gedaagde] geen kopieën heeft ontvangen van berichten die de curator aan de rechtbank heeft verstuurd.
3.5.
De curator heeft hiertegen verweer gevoerd. De curator voert aan dat hij geen herstelexploot heeft uitgebracht, maar de oorspronkelijke dagvaarding heeft ingetrokken [de rechtbank begrijpt: niet tijdig aangebracht] en [gedaagde] daarna opnieuw heeft gedagvaard, maar dan voor de rechtbank Amsterdam. De procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant is dus niet meer aanhangig. De curator betwist dat [gedaagde] de zaak kon aanbrengen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant op grond van artikel 127 lid 1 RvPro, omdat er iets mis was gegaan met de post en de zaak dus niet was aangebracht.
3.6.
Hoewel het begrijpelijk is dat [gedaagde] de procedure liever dichterbij huis wil voeren, ook vanwege kosten, is er geen grond om de curator niet-ontvankelijk te verklaren of de zaak te verwijzen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daartoe geldt het volgende.
3.7.
Artikel 120 lid 2 RvPro biedt inderdaad de mogelijkheid om een exploot te herstellen dat niet voldoet aan de eisen zoals voorgeschreven in artikel 111-124 Rv en daarom nietig is, door een herstelexploot uit te brengen vóór de roldatum waartegen de gedaagde is opgeroepen. Maar zo’n situatie heeft zich in dit geval niet voorgedaan. De curator heeft geen gebrek aan de oorspronkelijke dagvaarding willen herstellen, maar (nadat de oorspronkelijke dagvaarding niet tijdig was aangebracht en dus niet aanhangig is geworden bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant) opnieuw willen dagvaarden voor de rechtbank Amsterdam. Zoals de curator terecht heeft aangevoerd blijkt dat duidelijk uit de kop van de dagvaarding (‘onder intrekking en buiteneffectstelling van de op 30 november 2002 door (…) uitgebrachte dagvaarding’).
3.8.
Kennelijk heeft de curator zijn bericht(en) aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant niet in kopie gestuurd aan [gedaagde] . Dat neemt niet weg dat [gedaagde] op grond van artikel 127 lid 1 RvPro de zaak uiterlijk op de oorspronkelijke roldatum van 14 december 2022 had kunnen inschrijven op de rol bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. [gedaagde] had de oorspronkelijke dagvaarding immers ontvangen was daarmee op de hoogte van de roldatum van 14 december 2022. Er is daarom geen sprake van strijd met de goede procesorde op grond waarvan de zaak alsnog zou moeten worden verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
3.9.
[gedaagde] heeft verder niet betwist dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is op grond van artikel 2:241 BWPro om van de hoofdzaak kennis te nemen. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen tot niet-ontvankelijk en verwijzing afgewezen. Dat betekent dat de rechtbank de zaak onder zich houdt en de hoofdzaak naar de rol verwijst voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde] op een termijn van zes weken.
de vrijwaring
3.10.
[gedaagde] stelt dat als in de hoofdzaak vast komt te staan dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur, Kik Beheer, Eurotraffic en hun indirect bestuurder [naam] als feitelijk beleidsbepalers op grond van artikel 2:248 lid 7 BWPro medeaansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Volgens [gedaagde] warenzij in de laatste fase financier van de groep waar [naam vennootschap] deel van uitmaakte en die [gedaagde] bestuurde, en wierpen zij zich uitdrukkelijk als (mede)beleidsbepalend op. [gedaagde] heeft daarom verzocht hem toe te staan hen in vrijwaring op te roepen. De curator refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.11.
De rechtbank wijst deze vordering van [gedaagde] toe. Als Kik Beheer, Eurotraffic en [naam] inderdaad (mede) het feitelijk beleid bepaalde binnen [naam vennootschap] en in de hoofdzaak vast komt te staan dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, dan kan dit ertoe leiden dat zij op grond van artikel 2:248 lid 7 BWPro mede hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. In dat geval heeft [gedaagde] ingevolge de toepasselijke bepalingen uit Boek 6, titel 1, afdeling 1 BW mogelijk een regresrecht op hen. Voldoende is dat [gedaagde] heeft gesteld en toegelicht dat zij feitelijk beleidsbepalers waren – of dat ook komt vast te staan, komt in de vrijwaringszaak aan de orde.
Proceskosten
3.12.
[gedaagde] krijgt ongelijk in het niet-ontvankelijkheid- en verwijzingsincident en moet daarom de proceskosten betalen die de curator voor deze incidenten heeft gemaakt. Omdat de inhoud van deze incidenten met elkaar samenhangen worden de kosten in deze incidenten gezamenlijk vastgesteld op € 598,- aan salaris advocaat (1,0 punt x tarief II (onbepaalde waarde) = € 598,00). Daarnaast moet [gedaagde] de nakosten betalen aan de curator die hierna staan vermeld onder ‘de beslissing’. Dit is een standaardbedrag als vergoeding voor kosten voor de advocaat van de curator en eventuele betekeningskosten die de curator maakt na het wijzen van dit vonnis.
3.13.
Gezien de referte kan in het vrijwaringsincident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom worden die proceskosten gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.De beslissing
De rechtbank
in het incident tot niet-ontvankelijkheid en verwijzing
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 598,-,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis aan de zijde van de curator ontstane nakosten, begroot op € 173,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het onder 4.2 bepaalde heeft voldaan, met de explootkosten van betekening van het vonnis en € 90,00 aan salaris advocaat,
4.4.
verklaart de veroordelingen onder 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad,
in het vrijwaringsincident
4.5.
staat toe dat Kik Beheer B.V., Eurotraffic Holding B.V. en [naam] door [gedaagde] worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 28 juni 2023,
4.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
in de hoofdzaak
4.7.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 juni 2023 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde] ,
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Zaagsma, bijgestaan door mr. T. Kok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023. [1]