ECLI:NL:RBAMS:2023:3215

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 mei 2023
Publicatiedatum
22 mei 2023
Zaaknummer
22/5015
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AOWArt. 6a AOWBeleidsregel SB2329Burgerlijk WetboekVerdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing AOW-pensioen wegens onvoldoende huwelijksverzekeringsperiode

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een AOW-pensioen, welke door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen omdat zij niet minimaal één jaar verzekerd was geweest. Hoewel eiseres een religieus huwelijk had met haar partner sinds 1975 en samenwoonde met drie kinderen, wordt dit huwelijk niet als rechtsgeldig erkend in Nederland en Turkije. Alleen het officiële huwelijk vanaf 16 november 1979 tot 26 april 1980 geldt als huwelijks tijdvak, wat slechts vijf maanden betreft.

De rechtbank oordeelt dat de regeling omtrent medeverzekering uitsluitend geldt voor gehuwden en geregistreerd partners en dat de religieuze verbintenis niet gelijkgesteld kan worden met een officieel huwelijk. Hierdoor voldoet eiseres niet aan de vereiste verzekeringsduur van minimaal één kalenderjaar zoals voorgeschreven in artikel 7, eerste lid onder a, van de AOW.

Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten of griffierecht. Eiseres kan tegen deze uitspraak binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De aanvraag voor een AOW-pensioen is terecht afgewezen wegens onvoldoende verzekeringsduur van minder dan een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/5015

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] (Turkije), eiseres

en

de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder (de Svb)

(gemachtigde: mr. S. Pinar).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
De Svb heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 september 2022 op het bezwaar van eiseres is de Svb bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij de zaak op een zitting behandeld willen hebben. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Vandaag doet de rechtbank uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een AOW-pensioen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
3. Op 25 januari 2021 heeft de Svb aan de partner van eiseres een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde toegekend van 6%.
4. Eiseres heeft op 28 februari 2022 een aanvraag bij de Svb ingediend voor een AOW-pensioen.
5. De Svb heeft deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft in haar aanvraagformulier aangegeven dat zij niet in Nederland gewoond of gewerkt heeft. Daarom is zij voor de AOW niet verzekerd geweest. De Svb heeft daarnaast gekeken of eiseres verzekerd is door een huwelijks tijdvak. [1] Dit is het geval. Eiseres is immers op 16 november 1979 getrouwd met haar partner. Haar partner was van 7 mei 1977 tot 26 april 1980 verzekerd voor de AOW. Daarom heeft eiseres een huwelijks tijdvak van 16 november 1979 tot 26 april 1980. Dat is korter dan een jaar. Daarom heeft eiseres geen recht op een AOW-pensioen. Eiseres heeft aangegeven dat zij vanaf 1975 een religieus huwelijk had met haar partner en met hem samenwoonde, maar dit huwelijk wordt in Nederland niet als officieel huwelijk erkend. [2] De Svb vindt daarom dat zij de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen.
6. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe aan dat haar religieuze huwelijk gelijkgesteld moet worden met haar officiële huwelijk. Zij woonde samen met haar partner en samen hebben zij drie kinderen gekregen, geboren in 1976, 1980 en 1981.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. De Svb gaat er vanuit dat de regeling over medeverzekering uitsluitend geldt voor gehuwden en geregistreerd partners. [3] Zowel in Nederland, als in Turkije is een religieus huwelijk geen rechtsgeldig huwelijk. Daarom is in de periode dat eiseres enkel een religieus huwelijk heeft gehad geen huwelijks tijdvak. Dat eiseres in die periode met haar partner samenwoonde en een kind heeft gekregen maakt dit niet anders.
8. De periode 16 november 1979 tot 26 april 1980 heeft wel te gelden als een huwelijks tijdvak. Voor die periode geldt dat de Svb eiseres terecht als verzekerd heeft aangemerkt. Volgens artikel 7, eerste lid onder a, heeft een betrokkene pas recht op een AOW-pensioen als hij ten minste één kalenderjaar verzekerd is geweest. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet aan deze voorwaarde voldoet. Zij is immers slechts vijf maanden verzekerd geweest. Daarom heeft de Svb eiseres’ aanvraag voor een AOW-pensioen terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
10. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J. van ‘t Hoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6a, onder a, van de AOW en het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid.
2.Op grond van het Burgerlijk Wetboek.
3.Dit volgt uit Beleidsregel SB2329 van de Svb.