ECLI:NL:RBAMS:2023:3472

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 april 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
13/023443-23 (EAB IV)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 29, tweede lid, OLWArt. 23 OverleveringswetArt. 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak heropening en schorsing Pools Europees aanhoudingsbevel wegens onduidelijkheden hoger beroep

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een opgeëiste persoon geboren in 1975. Het EAB betreft een vrijheidsstraf van 12 jaar waarvan nog ruim 11 jaar resteren. Tijdens de procedure bracht de raadsvrouw van de opgeëiste persoon naar voren dat mogelijk sprake is van schending van verdedigingsrechten in hoger beroep, waaronder onduidelijkheid over aanwezigheid van een gemachtigde advocaat en oproeping.

De rechtbank constateerde dat het EAB niet vermeldt dat er hoger beroep is ingesteld, maar op basis van aanvullende informatie uit andere gerelateerde zaken acht zij het aannemelijk dat er wel hoger beroep is geweest. De rechtbank vindt het onduidelijk of het arrest in hoger beroep definitief uitspraak heeft gedaan over schuld en straf, en of daarbij de verdedigingsrechten zijn gewaarborgd, zoals vereist volgens artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW).

Daarom heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst en beveelt zij de officier van justitie aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over het hoger beroep en de procedurele waarborgen. Tevens beveelt zij de oproeping van de opgeëiste persoon en een Poolse tolk voor een nader te bepalen datum. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek en beveelt nadere informatie op te vragen over het hoger beroep en de verdedigingsrechten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/023443-23 (EAB IV)
RK nummer: 23/236
Datum uitspraak: 20 april 2023
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 24 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 november 2020 door de
the Circuit Court in Katowice(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 15 februari 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 februari 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak 1 maart 2023
De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 maart 2023 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, omdat de raadsvrouw kort na de zitting van 15 februari 2023 nog informatie zou ontvangen van haar Poolse collega, welke informatie afkomstig is uit (dossieronderzoek in) de Poolse strafzaken die tot de vonnissen hebben geleid die ten grondslag liggen aan de EAB’s met de parketnummers 13/751941-18 (EAB I) en 13/751994-19 (EAB II). Deze informatie zou mogelijk ook van belang kunnen zijn voor het onderhavige EAB, terwijl de rechtbank er voorts aan hecht de in totaal vier zaken gezamenlijk te behandelen.
Zitting 6 april 2023
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 6 april 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een door
the Circuit Court of Katowice (Polen) op 21 december 2017 gewezen vonnis (referentienummer: XXI K 42/09-/-).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 12 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze vrijheidsstraf resteren volgens het EAB nog 11 jaar en 10 maanden en 6 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [2]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aan de hand van haar pleitnota aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. Uit het opiniestuk van de Poolse advocaat mr. M. Grochowiak uit Poznan (Polen) van 9 februari 2023 dat op haar verzoek is opgesteld, is gebleken dat er een zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2019 heeft het Hof van Beroep te Katowice uitspraak gedaan (ref. II AKa 421/18). Er is echter verder geen informatie voorhanden met betrekking tot het hoger beroep. Het is onduidelijk of er een gemachtigd advocaat aanwezig is geweest bij de zitting in hoger beroep en op welke wijze de opgeëiste persoon zou zijn opgeroepen. De opgeëiste persoon heeft geen gebruik kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. Daarnaast is met betrekking tot de procedure in eerste aanleg weliswaar aangekruist dat de opgeëiste persoon door een gemachtigd advocaat is verdedigd, maar uit informatie van de Poolse advocaat blijkt dat de gemachtigd advocaat bij de helft van de 100 zittingen niet (de hele zitting) aanwezig is geweest. Dit betrof ook belangrijke, inhoudelijke zittingen. De overlevering dient gelet op het voorgaande te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat uit het opiniestuk van de Poolse advocaat blijkt dat sprake is van de situatie zoals omschreven in artikel 12, sub b, OLW nu er zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een gemachtigde advocaat voor de opgeëiste persoon is opgetreden. Het is niet noodzakelijk dat de advocaat bij alle zittingen fysiek aanwezig is. [3] Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet in de weg aan overlevering. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces. De opgeëiste persoon heeft ervoor gekozen om zich niet actief te bemoeien met het verdere verloop van het proces. Meer subsidiair heeft de officier van justitie verzocht om de zaak aan te houden om aanvullende informatie op te vragen over de procedure in hoger beroep bij de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van het opiniestuk van de Poolse advocaat van 9 februari 2023, waarin deze stelt dat er een zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op verzoek van de advocaat Martyna Pelc. Het Hof van Beroep in Katowice heeft het vonnis in eerste aanleg van
the Circuit Court of Katowicevan 21 december 2017 volgens het opiniestuk op 23 september 2019 bevestigd (ref. EE AKa 421/18). In het EAB is niet vermeld dat sprake is geweest van een zitting in hoger beroep. In zijn algemeenheid gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door de uitvaardigende autoriteit opgegeven feiten in het EAB. Ten aanzien van deze opgeëiste persoon is er echter een viertal EAB’s uitgevaardigd, die gelijktijdig behandeld zijn. In alle andere EAB’s was sprake van een vonnis in eerste aanleg, en bleek eerst bij nadere bestudering van het EAB en aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten dat er ook een hoger beroep had plaatsgevonden. Dat maakt dat de rechtbank het niet onaannemelijk acht dat er daadwerkelijk hoger beroep in deze zaak heeft plaatsgevonden. Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van Pro de OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. [4]
De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval niet zeker is of er een arrest in hoger beroep is gewezen en of met het arrest is geoordeeld over de schuld en straf van de opgeëiste persoon, na een onderzoek in feite en in rechte, zodat niet duidelijk is of het arrest valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.
Het is de rechtbank evenmin duidelijk of zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden in (dat eventuele) hoger beroep heeft voorgedaan en of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon al dan niet zijn geschonden. De rechtbank acht het noodzakelijk dat hier onderzoek naar wordt gedaan.
De beslistermijn in deze procedure is nog (net) niet verstreken en er zijn met betrekking tot dit EAB niet eerder vragen gesteld door de rechtbank aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Anders dan door de raadsvrouw betoogd, zal de rechtbank daarom aanvullende informatie opvragen.
De rechtbank zal om die reden het onderzoek ter zitting heropenen om zo de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
  • Is er een procedure in hoger beroep geweest? Zo ja, door wie is het hoger beroep ingesteld?
  • Was de opgeëiste persoon op de hoogte van het hoger beroep?
  • Heeft de rechter in hoger beroep uitspraak gedaan over de schuld van de betrokkene, na een onderzoek, in feite en in rechte, van belastend en ontlastend materiaal, zoals bedoeld in het arrest
  • Hebben de antwoorden in onderdeel D onder 1. van het EAB betrekking op de uitspraak in eerste aanleg, op de uitspraak in hoger beroep of op beide?
  • Indien de rechter in hoger beroep inderdaad een uitspraak heeft gedaan zoals bedoeld in het arrest
  • In onderdeel D onder 1. van het EAB is de uitzondering onder c aangekruist. De uitvaardigende autoriteit heeft echter nagelaten onderdeel D onder 2. in te vullen en aan te geven op welke wijze aan de voorwaarde is voldaan. Kan dit alsnog worden ingevuld, (ook) met betrekking tot de procedure in eerste aanleg?

4.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd – met dien verstande dat de zaak om voortvarendheid te betrachten
bij voorkeur weer binnen een maand na hedenop zitting wordt gezet - teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 3.1 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en B. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.Rechtbank Amsterdam 29 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1874.
4.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628.