De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 juni 2023 het verzoek tot overlevering van een Nederlander door België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, waarvan nog 1748 dagen resteren. De rechtbank stelde vast dat de verdachte niet in persoon aanwezig was bij het Belgische proces, maar dat dit geen weigeringsgrond opleverde omdat hij adequaat werd vertegenwoordigd.
De feiten waarvoor overlevering werd verzocht, zijn strafbaar volgens het Nederlandse recht, waaronder deelneming aan een criminele organisatie, diefstal door meerdere personen en medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. De rechtbank beoordeelde vervolgens de toepasselijkheid van artikel 6a OLW, dat overlevering van een Nederlander kan weigeren indien Nederland de tenuitvoerlegging van de straf kan overnemen.
De rechtbank concludeerde dat de straf niet hoger is dan de Nederlandse maxima en niet onverenigbaar is met Nederlands recht, waardoor overname mogelijk is. De overlevering werd daarom geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf werd in Nederland bevolen. Ondanks een verzoek van de raadsman om geen bevel tot gevangenhouding te geven vanwege persoonlijke omstandigheden, werd dit bevel wel gegeven om de uitvoering van de straf te waarborgen.
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De rechtbank baseerde haar beslissing op verschillende wetsartikelen, waaronder de Overleveringswet en het Wetboek van Strafrecht.