ECLI:NL:RBAMS:2023:378

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 januari 2023
Publicatiedatum
30 januari 2023
Zaaknummer
13/299956-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan van overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer op basis van artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 januari 2023 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Gliwice. De verdachte werd verdacht van mishandeling en een vrijheidsstraf van vier jaar was opgelegd.

De verdediging voerde aan dat overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de verdachte niet in persoon aanwezig was bij het proces in Polen en daardoor zijn verdedigingsrechten waren geschaad. De officier van justitie stelde echter dat van weigering kon worden afgezien, omdat de verdachte stilzwijgend afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht of onzorgvuldig was geweest door geen adreswijziging door te geven.

De rechtbank concludeerde dat de verdachte inderdaad op de hoogte was gesteld van zijn rechten en verplichtingen en dat pogingen tot dagvaarding op het opgegeven adres waren mislukt. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander voor de toepassing van artikel 6a OLW, omdat niet was aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef.

Gelet op het voldoen aan de voorwaarden van het EAB en het ontbreken van andere weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks het verweer op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/299956-22
RK nummer: 22/4860
Datum uitspraak: 24 januari 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 november 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op
2 maart 2020 door
the Regional Court in Gliwice(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 januari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F. Laros, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgment of the District Court in Gliwice (first instance)van 2 februari 2017, met referentie
IX K 898/16.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro zich voordoet en dat er geen reden is om van weigering af te zien. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van het proces en is in zijn verdedigingsrechten geschaad.
De officier van justitie is van mening dat kan worden afgezien van weigering op grond van artikel 12 OLW Pro, nu de opgeëiste persoon kennelijk stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht of in het kader daarvan in ieder geval onzorgvuldig is geweest gelet op het kennelijk niet voldoen aan de aan hem gegeven adresinstructie.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan terwijl evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet hierop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 december 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon op 28 juni 2016 is gehoord door de officier van justitie in Polen. Tijdens dit verhoor is aan de opgeëiste persoon de volgende instructie meegegeven:
“On 28.06.2016 the accused person was instructed about the rights and obligations of the suspect in criminal proceedings, including that the suspect is obliged to provide a new address in the event of a change of residence or stay place, including also due to deprivation of liberty in another case (temporary arrest, detention in a penal institution for the purpose of serving a sentence); otherwise, the letter sent to the previous address shall be deemed to have been effectively served and the activity or trial shall be conducted in the absence of the suspect; failure to provide an address may also make impossible to lodge an application, complaint or appeal due to the lapse of time limits (Article 139).”
Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 27 december 2022 blijkt dat tot twee keer toe gepoogd is om de opgeëiste persoon te dagvaarden op het door hem opgegeven adres, zonder succes.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel dat hij in dit kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door ondanks de aan hem gegeven adresinstructie niet bereikbaar te zijn voor de autoriteiten. De opgeëiste persoon heeft ook zelf te kennen gegeven dat hij na zijn vertrek naar Nederland geen adreswijziging heeft doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. De rechtbank ziet mitsdien geen grond om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW Pro.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf stelselmatig begaat tegen een minderjarige

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De raadsman heeft een gelijkstellingsverweer gevoerd. De officier van justitie is van mening dat dit verweer niet kan slagen, nu niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon al ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank kan op basis van de stukken niet vaststellen dat de opgeëiste persoon al ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Aan de eerste voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldaan. Om die reden behoeft de tweede voorwaarde geen nadere bespreking.
Het verweer slaagt niet. De opgeëiste persoon kan niet worden gelijkgesteld met een Nederlander.

7. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[naam opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Gliwice(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 januari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.