De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 juni 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het invoeren, bezitten en verhandelen van (vuur)wapenonderdelen. Het onderzoek startte na een tip over pakketten met wapenonderdelen uit de Verenigde Staten, waarbij verdachte en meerdere medeverdachten werden aangehouden. De officier van justitie stelde dat verdachte betrokken was bij de invoer en het bezit van specifieke pakketten en wapenonderdelen, onderbouwd met getuigenverklaringen, betalingsbewijzen en chatberichten.
Verdachte ontkende kennis te hebben gehad van de aard van de betalingen en stelde dat hij als geldezel was gebruikt. De rechtbank vond aanwijzingen voor betrokkenheid, maar concludeerde dat het bewijs onvoldoende concreet was om de beschuldigingen te bewijzen. De koppelingen tussen verdachte en de betalingen, pakketten en aangetroffen wapenonderdelen waren te speculatief en berustten op aannames.
De rechtbank oordeelde per beschuldiging dat de bewijsvoering niet voldeed aan de vereiste mate van zekerheid. Hierdoor werd verdachte integraal vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werden beslagleggingen op telefoons en een wapen opgeheven en teruggave gelast. Het vonnis werd gewezen door drie rechters, waarbij één rechter het vonnis niet mede heeft ondertekend.