Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:3844

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2023
Publicatiedatum
21 juni 2023
Zaaknummer
AWB - 23_1878, 23_1880 en 23_1882
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4.4 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroepen wegens overschrijding beslistermijn Woo-verzoeken met oplegging dwangsommen

Eiser heeft op 13 oktober 2022 drie verzoeken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het ministerie van Financiën, waarin hij informatie vroeg over verschillende kennisgroepen. Het ministerie heeft de beslistermijn overschreden en slechts gedeeltelijk besloten op één onderdeel. Eiser stelde het ministerie vervolgens in gebreke en ging in beroep.

De rechtbank overweegt dat verweerder uiterlijk op 24 november 2022 had moeten beslissen, maar dit niet heeft gedaan. De beroepen worden gegrond verklaard omdat nog niet volledig is beslist. De rechtbank sluit aan bij een eerdere uitspraak van 27 januari 2023 en stelt nadere beslistermijnen vast voor verschillende onderdelen van de verzoeken, namelijk 14 dagen na verzending van het vonnis voor handboeken, 30 september 2023 voor standpunten en adviezen, en 31 december 2023 voor handleidingen.

Daarnaast legt de rechtbank voor elk verzoek een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van deze termijnen, met een maximum van €15.000 voor alle drie verzoeken samen. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld binnen zes weken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, stelt nadere beslistermijnen vast en legt dwangsommen op voor het ministerie van Financiën.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/1878, 23/1880 en 23/1882

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

en

het ministerie van Financiën, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 2 april 2023 beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn verzoeken om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Verweerder heeft geen stukken en geen verweerschriften ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Omdat de zaken onderling nauw met elkaar samenhangen behandelt de rechtbank de beroepen gevoegd.
3. Omdat verweerder geen stukken en geen verweerschriften heeft ingediend, gaat de rechtbank uit van de gegevens die eiser in zijn beroepschriften heeft vermeld en van wat uit de daarbij gevoegde bijlagen blijkt.
4. Eiser heeft op 13 oktober 2022 drie Woo-verzoeken ingediend waarin hij verzoekt hij om openbaarmaking van informatie van de kennisgroepen Winstbepaling/goed koopmansgebruik (KG WB), Resultaat overige werkzaamheden (KG ROW) en Aanmerkelijk belang (KG AB). Eiser vraagt om standpunten en adviezen, jaarverslagen, handleidingen en handboeken. Hij heeft verweerder op 26 november 2022 in gebreke gesteld.
5. De rechtbank overweegt dat verweerder binnen vier weken op een Woo-verzoek moet beslissen. [1] De beslissing kan voor ten hoogste twee weken worden verdaagd. [2] Verweerder heeft eiser op 25 oktober 2022 de ontvangst van de drie Woo-verzoeken bevestigd. Daarbij heeft hij eiser laten weten dat de beslistermijn met twee weken wordt verlengd. Verweerder had dus uiterlijk op 24 november 2022 volledig op de verzoeken van eiser moeten beslissen. Verweerder heeft dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn voor de drie verzoeken is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan.
6. Verweerder heeft op 16 maart 2023 een eerste deelbesluit genomen. Daarbij heeft verweerder de jaarverslagen van een aantal kennisgroepen gedeeltelijk openbaar gemaakt. Wat betreft de openbaarmaking van de jaarverslagen van de KG WB, de KG ROW en de KG AB heeft verweerder beslist dat aan het verzoek van eiser om openbaarmaking niet wordt voldaan omdat die al openbaar zijn gemaakt.
7. De rechtbank stelt vast dat nog niet volledig is beslist op de drie verzoeken van eiser. De beroepen zijn dus gegrond.
8. Als een beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
9. De rechtbank heeft op 27 januari 2023 uitspraak gedaan in zaken die met de zaken van eiser vergelijkbaar zijn. [3] Met de genoemde uitspraak heeft de rechtbank een tijdpad vastgesteld voor openbaarmaking van documenten van verschillende kennisgroepen van verweerder. De rechtbank ziet aanleiding om, ondanks het feit dat in de zaken van verweerschriften ontbreken en verweerder geen bijzondere omstandigheden kenbaar heeft gemaakt, bij de in die uitspraak genoemde termijnen aan te sluiten en, zo nodig, af te wijken van de standaardtermijn van twee weken.
10. In de uitspraak van 27 januari 2023 heeft de rechtbank afzonderlijke tijdpaden vastgesteld voor verschillende door verweerder alsnog te nemen deelbesluiten. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met wat door verweerder haalbaar is genoemd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om vóór 1 mei 2023 te beslissen op het onderdeel handboeken. Voor het onderdeel standpunten en adviezen heeft de rechtbank de beslistermijn bepaald op 30 september 2023. Voor de overige onderdelen, in het geval van eiser dus het onderdeel handleidingen, is de nadere beslistermijn 31 december 2023.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder voor elk verzoek een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijnen worden overschreden, met een maximum van
€ 15.000,- voor de drie verzoeken samen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • draagt verweerder op binnen
  • bepaalt dat verweerder aan eiser voor elk verzoek een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑ voor de drie verzoeken samen;
  • draagt verweerder op om
  • bepaalt dat verweerder aan eiser voor elk verzoek een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- voor de drie verzoeken samen;
  • draagt verweerder op om
  • bepaalt dat verweerder aan eiser voor elk verzoek een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- voor de drie verzoeken samen;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 552,- (drie keer € 184,-) aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Artikel 4.4, eerste lid, Woo
2.Artikel 4.4, tweede lid, Woo
3.ECLI: RBAMS:2023:1774