ECLI:NL:RBAMS:2023:396
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Gebruik woning en omgangsregeling na beëindiging affectieve relatie met minderjarige
Partijen, voormalig partners en ouders van een minderjarige, zijn in geschil over het gebruik van de woning die eigendom is van de man en de zorg- en omgangsregeling voor hun kind. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag en verblijft sinds het einde van de relatie in de woning. De man vordert onder meer dat de vrouw de woning verlaat en dat hij het gezag en de zorg over het kind krijgt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw op grond van een afspraak tot 1 juni 2023 in de woning mag blijven en dat de man de woning tot die datum niet mag betreden. De vorderingen tot voorlopige toevertrouwing worden afgewezen omdat het kind reeds bij de vrouw verblijft. Een contact- en gebiedsverbod worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het belang van communicatie tussen ouders.
Ten aanzien van de omgang met de minderjarige wordt een voorlopige regeling vastgesteld waarbij de man videobelt op dinsdag en donderdag en het kind op zondag bezoekt. De kosten van de procedure worden tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Vrouw mag tot 1 juni 2023 in woning blijven, contact- en gebiedsverbod afgewezen, voorlopige omgangsregeling voor minderjarige vastgesteld.