Uitspraak
1.[eiser 1]
2.[eiser 2]
- de conclusie van antwoord met producties;
- het instructievonnis;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
a. € 95.441,15 bruto wegens gederfde inkomsten in de jaren 2015 tot en met 2021;
b. de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het onder a gevorderde;
Voor zover de kosten onder de proceskosten vallen zijn deze niet toewijsbaar als afzonderlijke schadepost.
Werknemers zullen hun kosten nader moeten rubriceren en toelichten, zodat duidelijk wordt welke vergoeding voor welke werkzaamheden wordt gevorderd. Vattenfall zal daarop kunnen reageren. Partijen zullen hiertoe in de verdere procedure de gelegenheid krijgen (zie hierna onder rov. 41).
- werknemers hebben zich bij het aanbieden van herplaatsingsfuncties door Vattenfall op 21 september 2017 en 17 november 2017 niet constructief opgesteld om weer duurzaam aan het werk te gaan,
- werknemers hebben geweigerd om mee te werken aan enig herplaatsingstraject op 20 september en 17 december 2018,
- werknemers hebben een onwerkbaar eisenpakket gesteld op 20 mei en 30 juni 2020,
- werknemers hebben niet naar behoren meegewerkt aan zowel een eerste als een tweede procesbegeleidingstraject in 2020 respectievelijk 2021.
Vervolgens zijn partijen toch in gesprek gegaan over herplaatsing. Inmiddels waren werknemers wel het vertrouwen kwijt in bepaalde leidinggevenden. Dit kan hen niet worden tegengeworpen. Vattenfall heeft op gebrekkige wijze gereageerd op de melding van de vermoedelijke misstand en heeft op onjuiste gronden gemeend dat een (nader) onderzoek of er inderdaad sprake was van een misstand niet nodig was. Het Huis concludeert immers dat werknemers een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden hadden dat aanbestedingsregels waren overtreden en dat een dergelijke overtreding een zodanig ernstige misstand is dat daardoor het maatschappelijk belang wordt geraakt. De melding had dus in een vroeg stadium tot een deugdelijk onderzoek moeten leiden. Nu dat niet is gebeurd en werknemers tegenwerking hebben ondervonden moet de conclusie luiden dat Vattenfall werknemers onvoldoende veiligheid heeft geboden. Werknemers mochten dan ook voorwaarden stellen om hun veiligheid te waarborgen, zoals steun vanuit de moedermaatschappij en plaatsing van [eiser 2] in hetzelfde team als [eiser 1] . Niet gezegd kan worden dat dit onredelijke eisen zijn, zodat het feit dat partijen niet tot overeenstemming kwamen ook geen omstandigheid is die aan werknemers moet worden toegerekend.
Tot slot heeft Vattenfall niet duidelijk gemaakt op welke wijze werknemers zich onredelijk hebben opgesteld in de procesbegeleidingstrajecten. Vattenfall stelt dat werknemers bezwaren hadden tegen de procesregels van het eerste begeleidingstraject en dat zij in het tweede projectbegeleidingstraject het eerste inhoudelijke gesprek eenzijdig hebben beëindigd, waarna de procesbegeleidster haar opdracht heeft teruggegeven. Maar dat de bezwaren tegen de procesregels of de eenzijdige beëindiging van het gesprek onredelijk waren is niet gesteld of gebleken. Hier weegt bovendien mee dat werknemers, zoals zij terecht aanvoeren, al jarenlang proberen erkenning te krijgen en hun recht te halen, terwijl zij als twee werknemers tegenover Vattenfall een ongelijke positie hebben. Hun frustratie, boosheid en verbetenheid is eerder het gevolg van de benadeling door Vattenfall dan van hun eigen onredelijkheid, die onvoldoende aannemelijk is geworden. Zoals het Huis heeft geconstateerd zijn de verhoudingen zodanig verslechterd dat de acties en reacties aan beide kanten verhard zijn.