Eiser verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten over de naamswijziging van de Republiek Macedonië naar de Republiek Noord-Macedonië. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek gedeeltelijk af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Amsterdam.
De rechtbank beoordeelde de toepassing van uitzonderingsgronden uit de Wob, waaronder bescherming van internationale betrekkingen en persoonlijke beleidsopvattingen. De minister had een aantal documenten alsnog openbaar gemaakt, maar weigerde andere stukken vanwege mogelijke schade aan internationale betrekkingen en de vertrouwelijkheid van interne beleidsopvattingen.
De rechtbank oordeelde dat de minister de uitzonderingsgronden terecht toepaste. De belangenafweging was zorgvuldig en de gevraagde documenten betroffen vertrouwelijke informatie die de betrekkingen met andere staten kon schaden. Ook het belang van een goede en democratische bestuursvoering rechtvaardigde het achterwege laten van openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen.
Daarnaast stelde eiser dat de zoekopdracht naar documenten ontoereikend was. De rechtbank vond de door de minister uitgevoerde zoekslag voldoende en oordeelde dat eiser onvoldoende concreet bewijs leverde dat er meer documenten onder het bestuursorgaan berusten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het gewijzigde besluit van de minister en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt vergoed.