ECLI:NL:RBAMS:2023:4274
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslagverzoek wegens ontbreken co-ouderschap en lagere onderhoudsbijdrage
Eiser, gescheiden van zijn ex-partner, verzocht om kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 2021 voor hun kind, dat 40% van de tijd bij hem verblijft en 60% bij de moeder. De Sociale verzekeringsbank wees dit verzoek af omdat uit de beschikking bleek dat het hoofdverblijf bij de moeder was en er geen sprake was van co-ouderschap.
Eiser stelde dat er wel co-ouderschap was en dat hij recht had op kinderbijslag vanwege de hoge onderhoudskosten. De rechtbank oordeelde dat de beschikking geen afspraken over onderhoud bevatte en geen impliciete gelijkheid in verzorging en onderhoud aangaf. Er was dus geen co-ouderschap in de zin van de wet.
Omdat het kind tot beide huishoudens behoort maar geen co-ouderschap geldt, bepaalt artikel 18, vijfde lid, AKW dat kinderbijslag wordt betaald aan degene die de hoogste onderhoudsbijdrage levert. Uit de overgelegde stukken bleek dat de ex-partner een hogere bijdrage leverde dan eiser.
Daarom was de afwijzing van de aanvraag terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Rodriguez Galvis op 10 juli 2023.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de kinderbijslagaanvraag over het vierde kwartaal van 2021.