De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot echtscheiding tussen partijen die sinds 1994 gehuwd waren en zowel de Nederlandse als Turkse nationaliteit bezaten. Ondanks dat het verzoek tot echtscheiding niet tijdig aan de man was betekend, oordeelde de rechtbank dat dit geen nadeel voor de man opleverde, waardoor de vrouw ontvankelijk werd verklaard in haar verzoek. De echtscheiding werd uitgesproken.
De vrouw verzocht tevens een partnerbijdrage van €5.000 bruto per maand. De man voerde verweer dat de vrouw geen behoefte had en hij geen draagkracht. De rechtbank stelde vast dat de man onvoldoende financiële gegevens had verstrekt, waardoor werd uitgegaan van de door de vrouw gestelde behoefte en draagkracht. De partnerbijdrage werd daarom toegewezen.
Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederen was onvoldoende informatie beschikbaar over de waarde van de auto’s, banksaldi en aandelen in ondernemingen. De rechtbank besloot de verdeling aan te houden en een deskundige te benoemen voor taxatie van de aandelen. Partijen krijgen gelegenheid zich uit te laten over de deskundige, waarderingsmethode en voorschot. De man werd tevens bevolen bankafschriften over 2019 en 2020 te overleggen.
De rechtbank bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt en verklaarde de beslissing over de partnerbijdrage uitvoerbaar bij voorraad. De behandeling van de verdeling van de gemeenschap van goederen werd uitgesteld tot nader order.