In een strafvorderlijk onderzoek zijn op 7 februari 2023 goederen in beslag genomen, waaronder een geldbedrag van €420,-, kledingstukken en een telefoon. Klager, die gedetineerd is, diende een beklag in tegen het beslag, waarbij hij stelde dat de telefoon reeds was teruggegeven en hij de rechthebbende is van het geld, dat hij op 6 februari 2023 via Western Union ontving van een contactpersoon in Frankrijk. Klager betwistte ook dat kledingstukken aan een andere eigenaar waren teruggegeven.
De officier van justitie stelde klager niet-ontvankelijk voor het beklag over de kledingstukken omdat deze niet in beslag waren genomen en verzette zich tegen teruggave van het geld, stellende dat het mogelijk gestolen geld van het slachtoffer betrof. De rechtbank oordeelde dat er geen kledingstukken in beslag waren genomen en verklaarde het beklag hierover niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van het geld oordeelde de rechtbank dat er geen strafvorderlijk belang bestond dat het beslag moest voortduren en dat niet kon worden vastgesteld dat het slachtoffer rechthebbende was. Daarom verklaarde de rechtbank het beklag gegrond en gelast zij de teruggave van het geldbedrag aan klager.