ECLI:NL:RBAMS:2023:476

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 februari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
C/13/722197 / HA ZA 22-678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 104 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam verklaart zich onbevoegd in nalatenschapszaak en verwijst naar rechtbank Midden-Nederland

In deze civiele zaak vorderen eisers vaststelling van de omvang van de nalatenschap van hun overleden moeder en betaling van een deel daarvan door de executeurs. De executeurs voeren een incident tot onbevoegdverklaring aan, stellende dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd is omdat de laatste woonplaats van de erflaatster buiten haar rechtsgebied ligt.

De rechtbank stelt vast dat de erflaatster haar laatste woonplaats had in een gemeente binnen het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland en dat de executeurs ook niet binnen het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam wonen. Op grond van artikel 104 lid 1 Rv Pro is de rechtbank Amsterdam daarom onbevoegd.

De rechtbank oordeelt verder dat de hoofdzaak kwalificeert als een zaak betreffende een nalatenschap, waardoor de rechtbank bevoegd is en niet het kantongerecht, ongeacht de hoogte van de vordering. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, afdeling handel.

De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door rechter C.M.E. de Koning en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2023.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam verklaart zich onbevoegd en verwijst de nalatenschapszaak naar de rechtbank Midden-Nederland.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/722197 / HA ZA 22-678
Vonnis in incident van 1 februari 2023
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [eiser 2] ,
3.
[eiser 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
hierna te noemen: [eiser 3] ,
eisers in conventie in de hoofdzaak,
verweerders in reconventie in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. M.V. Scheffer te Utrecht,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 4] (Duitsland),
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 5] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagden in conventie in de hoofdzaak,
eisers in reconventie in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. R.M. Potma te Mijdrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 24 augustus 2022, met producties;
  • conclusie van antwoord in conventie tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdverklaring van 17 januari 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten voor zover van belang voor het incident

2.1.
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn kinderen van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster).
2.2.
Erflaatster is op 18 juli 2019 overleden in Amsterdam. Haar laatste woonplaats was [woonplaats 5] (gemeente De Ronde Venen).

3.De vorderingen in de hoofdzaak

in conventie

3.1.
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] vorderen, samengevat, dat de rechtbank:
a. voor recht verklaart dat de nalatenschap van erflaatster nog een bedrag van € 20.273,42 omvat;
b. de executeurs in de nalatenschap van erflaatster, zijnde [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , veroordeelt om aan [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis ieder een bedrag te betalen van € 4.054,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
c. de executeurs in de nalatenschap van erflaatster, zijnde [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , beiden in persoon veroordeelt in de kosten van de procedure;
d. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
in reconventie
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen, samengevat, dat de rechtbank:
a. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de advocaatkosten ten laste van de boedel mogen brengen;
b. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de notariskosten ten laste van de boedel mogen brengen;
c. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in voldoende mate en op een juiste wijze rekening en verantwoording hebben afgelegd;
e. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] veroordeelt tot betaling van € 7.500,00 aan werkelijke proceskosten, overige kosten en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente;
d. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen dat de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank Midden-Nederland, afdeling kanton. Allereerst voeren gedaagden aan dat de laatste woonplaats van erflaatster niet Amsterdam is, zoals [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] in hun dagvaarding stellen, maar [woonplaats 5] . [woonplaats 5] behoort tot de gemeente De Ronde Venen en valt dus tot het rechtsgebied van de rechtbank Midden-Nederland. Aangezien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook niet woonachtig zijn in een gemeente die tot het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam behoort, is de rechtbank Midden-Nederland bevoegd. Daarnaast voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat niet de rechtbank maar het kantongerecht bevoegd is om kennis te nemen van het geschil, aangezien de vordering niet meer dan € 25.000,00 bedraagt, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
4.2.
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is tweeledig: de rechtbank Amsterdam is niet bevoegd en de rechtbank is niet bevoegd, maar het kantongerecht is bevoegd. Dit verweer is vóór alle weren ten gronde en derhalve tijdig gevoerd. De rechtbank komt daarom toe aan de inhoudelijke behandeling van dit verweer.
5.2.
Artikel 104 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat in zaken betreffende nalatenschappen naast de rechter van de woonplaats van de gedaagde ook de rechter van de laatste woonplaats van de overledene bevoegd is.
Rechtbank Amsterdam of rechtbank Midden-Nederland?
5.3.
Uit de verklaring van erfrecht blijkt dat erflaatster haar laatste woonplaats in [woonplaats 5] had. Partijen onderkennen dit ook. Verder staat ook vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet woonachtig zijn in een gemeente die tot het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam behoort. Dit betekent dat de rechtbank Amsterdam onbevoegd is. Aangezien [woonplaats 5] ligt in het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland, is de rechtbank Midden-Nederland bevoegd. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland.
Rechtbank of kantongerecht?
5.4.
Uit artikel 104 lid 1 Rv Pro volgt dat als de hoofdzaak kan worden gekwalificeerd als een zaak betreffende een nalatenschap, de rechtbank bevoegd is. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben terecht aangevoerd dat hun vordering in de kern de vaststelling van de omvang en de verdeling van de nalatenschap van erflaatster inhoudt. Deze vordering heeft dus betrekking op de nalatenschap. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de hoofdzaak daarom moet worden gekwalificeerd als een zaak betreffende een nalatenschap. Dat en waarom dat niet zo zou zijn, is overigens ook niet gesteld door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Het enkele feit dat de vordering niet meer dan € 25.000,00 bedraagt, is in dit verband niet relevant aangezien artikel 104 lid 1 Rv Pro een bevoegdheidsregeling geeft. Dit betekent dat de incidentele vordering dat de rechtbank absoluut onbevoegd is niet slaagt.
Conclusie
5.5.
De rechtbank verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Midden-Nederland.
Proceskosten in het incident
5.6.
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
6.3.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Midden-Nederland, afdeling handel.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2023.