In deze zaak vordert eiseres ontruiming van de woning gelegen in Amsterdam, waarin gedaagde als huisbewaarder verbleef, en betaling van achterstallige huur. Eiseres had toestemming van de verhuurder om een huisbewaringsovereenkomst aan te gaan met gedaagde voor maximaal twee jaar. Na beëindiging van de huisbewaring weigerde gedaagde de woning te verlaten en betaalde geen huur meer, terwijl eiseres de huur vanaf februari 2023 aan de verhuurder betaalde.
Gedaagde betwistte de vordering en vroeg meer tijd voor juridische bijstand, maar dit verzoek werd afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst geldig was en dat gedaagde tekort was geschoten in zijn verplichtingen. De belangenafweging, mede gelet op de zorgplicht van eiseres voor haar minderjarige en verstandelijk beperkte kinderen, leidde tot toewijzing van de ontruiming en betaling van de achterstallige huur.
De ontruiming dient binnen 14 dagen na betekening van het vonnis plaats te vinden, met inzet van de deurwaarder en de sterke arm indien nodig. Daarnaast is gedaagde veroordeeld tot betaling van €3.635,15 aan achterstallige huur en €624,73 per maand vanaf 1 juli 2023 tot daadwerkelijke ontruiming, alsmede in de proceskosten.