ECLI:NL:RBAMS:2023:4942

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 augustus 2023
Publicatiedatum
1 augustus 2023
Zaaknummer
C/13/710253 / FA RK 21-7424
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en aanhouding gezagsverzoek in afwachting hulptraject

De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak tussen een vader en moeder over het gezag en de omgang met hun minderjarige kind. De behandeling vond plaats achter gesloten deuren op 3 juli 2023. De vader heeft sinds 2021 geen contact met de minderjarige en verzet zich tegen het uitstellen van contact tot na het hulptraject. De moeder ziet de vader niet als vaderfiguur en wil de rust voor het kind behouden.

De rechtbank houdt rekening met eerdere beschikkingen en acht het contact tussen vader en kind nog onvoldoende tot stand gekomen. Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden omdat de ouders niet in staat zijn tot goede communicatie en gezagsuitoefening zonder professionele hulp. Beide partijen staan open voor een hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod.

Voorlopig wordt een minimale omgangsregeling vastgesteld: videobellen om de dag, beginnend met 10 tot 30 minuten, en na twee maanden een uur fysiek contact per week op een openbare, kindvriendelijke locatie. De moeder mag bij de omgang aanwezig zijn en wordt geacht het kind voor te bereiden op het contact. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek tot definitieve zorgregeling en gezag blijft aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst een voorlopige omgangsregeling toe en houdt het gezagsverzoek aan in afwachting van een hulptraject.

Uitspraak

Tussenbeschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/710253 / FA RK 21-7424 (KO/JS)
Tussenbeschikking van 17 juli 2023
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. D.G. Nagel,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. S. Guman te Amsterdam.

1.De verdere procedure

1.1.
De rechtbank houdt rekening met de beschikking van 14 september 2022, hersteld bij beschikking van 2 november 2022, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij voornoemde beschikking van 14 september 2022 is de behandeling van de verzoeken ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling aangehouden in afwachting van het tot stand komen en opstarten van contactherstel en de opbouw van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige] .
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft opnieuw plaatsgevonden op 3 juli 2023;
Gehoord zijn:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

2.De nadere standpunten

2.1.
De vader heeft mede bij monde van zijn advocaat bij de mondelinge behandeling onder meer verklaard dat hij nog geen contact heeft met [minderjarige] . Wel heeft hij in augustus jl. een foto naar de moeder gestuurd om zichzelf bij [minderjarige] te introduceren. In hoeverre [minderjarige] geïnformeerd is dat de vader haar vader is, is hem niet bekend. De vader is na de vorige zitting naar het OKT gegaan maar daar werd gezegd dat het OKT geen bemoeienis had met omgang. Omdat de vader de weg naar een andere instantie niet wist, heeft hij geen verdere stappen ondernomen. De vader vindt dat de moeder nog steeds het contact tussen hem en [minderjarige] afhoudt, terwijl hij alles netjes doet en rekening houdt met het tempo van [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] is voor de vader heel belangrijk, dat blijkt ook wel nu hij al vanaf 2021 continu bezig is om in contact met haar te komen en te blijven. De vader verzet zich ertegen om te wachten met contact tot de uitkomst van het traject van het Uniform Hulpaanbod omdat dat te lang gaat duren. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij haar vader leert kennen en dat hij bij haar geïntroduceerd wordt. De vader stelt een minimale omgangsregeling voor van eens per week een uur op een neutrale plek zoals een bibliotheek en dit contact daarna uit te breiden conform het voorstel. Verzocht wordt om dit in een tussenbeschikking vast te leggen. De vader kan instemmen met het voorstel van de zijde van de moeder om te starten met een videobelcontact. De vader zal ervoor zorgen dat de moeder een tablet of ander hulpmiddel krijgt dat dit videobellen mogelijk maakt.
2.2.
De moeder heeft mede bij monde van haar advocaat bij de mondelinge behandeling onder meer verklaard dat ze contact heeft gehad met het OKT waar de moeder haar verhaal kwijt kon maar het OKT gaf aan niet te kunnen helpen. Uit zelfbescherming heeft de moeder nooit contact met de vader tot stand gebracht. De communicatie met de vader verloopt niet goed. [minderjarige] heeft de vader een keer gesproken bij het winkelcentrum waar zij elkaar toevallig tegenkwamen. Sinds die tijd slaapt [minderjarige] onrustig. [minderjarige] noemt de vader oompje. De moeder ziet de vader niet als vader maar als verwekker van [minderjarige] . De vader heeft, toen [minderjarige] nog een baby was, meerdere keren contact met haar gehad, maar de vader heeft de moeder zijn regels op willen leggen en hij behandelt haar niet met respect, waardoor hij het heeft verpest. Dit is verdrietig voor [minderjarige] maar de moeder gunt [minderjarige] geen vaderfiguur die er alleen wil zijn als het hem uitkomt. De moeder wil de rust die zij sinds een jaar ervaart, behouden, dit is ook goed voor [minderjarige] . De familie van de vader en allerlei anderen bemoeien zich intens met de situatie, wat de moeder erg vervelend vindt en voor stress zorgt. Er is hulp nodig voor beide ouders om het verleden te verwerken. De moeder geeft aan mee te willen werken aan de hulpverlening vanuit het Uniform Hulpaanbod. In afwachting daarvan stelt zij voor dat er wordt gestart met videobellen.

3.De verdere beoordeling

Ten aanzien van het verzoek gezamenlijk gezag
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om met de moeder het gezag over [minderjarige] te verkrijgen aanhouden in afwachting van de uitkomst van het in te zetten hulpverleningstraject van het Uniform Hulpaanbod. Het is nu te vroeg om te beslissen op dit verzoek. Daarbij komt dat het contact tussen [minderjarige] en de vader nog tot stand moet komen. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is het van belang dat de ouders tot een behoorlijke gezagsuitoefening in staat zijn en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk onderling overleg kunnen nemen, of dat zij tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de communicatie tussen partijen niet goed is, er is veel onverwerkt oud zeer dat daaraan nu nog in de weg staat. De ouders hebben professionele ondersteuning nodig bij het verwerken van het verleden van waaruit kan worden toegewerkt naar contactherstel tussen de vader en [minderjarige] en de verdere opbouw van dit contact vorm gegeven kan worden. Partijen hebben aangegeven dat zij open staan voor een hulpverleningstraject, aangesloten bij het Uniform Hulpaanbod.
Ten aanzien van de zorgregeling / omgangsregeling
3.2.
Partijen zijn bij de mondelinge behandeling overeen gekomen dat er in afwachting van het hulpverleningstraject al een minimale omgangsregeling kan zijn, maar zij verschillen van mening hoe deze minimale regeling en de opbouw ervan, moet worden ingevuld. De rechtbank heeft het belang van [minderjarige] voorop gesteld en komt tot een
voorlopigeomgangsregeling. De rechtbank merkt daarbij op dat partijen hebben ingestemd met een dagelijks videobelmoment, maar de rechtbank is van mening dat dit misschien voor nu te veel is gelet op de jonge leeftijd en concentratievermogen van [minderjarige] . De rechtbank acht het meer passend dat dit videobellen om de dag plaatsheeft. Na twee maanden kan er naast het videobellen ook een fysiek contactmoment tussen de vader en [minderjarige] van een uur plaatsvinden, op een openbare plek zoals een bibliotheek, een speeltuin of een kinderboerderij. De hieronder vast te stellen voorlopige omgangsregeling heeft te gelden als een minimale regeling. Het staat partijen vanzelfsprekend vrij om in onderling overleg tot uitbreiding van de regeling te komen, ook ten aanzien van het videobellen. Daarnaast staat het de moeder vrij om bij de omgangsmomenten -desgewenst- aanwezig te zijn. De rechtbank wijst de vader erop dat hij niemand mee neemt naar de omgangsmomenten, zodat [minderjarige] rustig aan de vader kan wennen en hem kan leren kennen, zonder dat haar aandacht uit hoeft te gaan naar anderen -behoudens eventueel de moeder-. Het is aan de moeder om [minderjarige] voor te bereiden op het videobellen en de contactmomenten en de vader daarbij de rol te geven dit hem toekomt, namelijk als vader van [minderjarige] . Dit zal moeilijk zijn voor de moeder, maar het is wel belangrijk voor [minderjarige] . Zij heeft er recht op om te weten wie haar vader is, ook om zich in haar verdere leven goed en gezond te kunnen ontwikkelen.

4.De beslissing

4.1.
De rechtbank:
- bepaalt in het kader van een
voorlopigeomgangsregeling dat de vader vanaf heden
om de dagmet [minderjarige] zal video-/beeldbellen te beginnen om 17.00 uur tot ongeveer 17.30 uur, afhankelijk van haar concentratie, maar in elk geval 10 minuten. Na twee maanden zal de vader naast het beeldbellen ook met [minderjarige] een uur in de week in/op een kindvriendelijke, openbare plaats zoals een bibliotheek, kinderboerderij of een speeltuin, omgang met haar hebben;
-verklaart deze beschikking ten aanzien van de voorlopige omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;
-houdt het verzoek met betrekking tot een definitieve zorgregeling en het gezag
Pro Formaaan tot
18 december 2023, in afwachting van de uitkomst van het traject bij het Uniform Hulpaanbod, dat ouders zullen -blijven- volgen.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Oldekamp-Bakker, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.O. van Saase-Zaagman, griffier, op 17 juli 2023 . [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).