Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Amstelveen voor het belastingjaar 2022, waarbij hij een lagere waarde van € 433.000,- bepleitte dan de vastgestelde € 453.000,-. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de waardebepaling moest worden gebaseerd op één of meerdere vergelijkingsobjecten.
De rechtbank oordeelde dat alle drie de vergelijkingsobjecten, waaronder de woning van eiser, vergelijkbaar zijn qua type, bouwjaar en woonoppervlakte. De ligging in aangrenzende straten maakt de andere objecten ook relevant. De rechtbank verwierp de stelling van eiser dat slechts het meest geschikte vergelijkingsobject in aanmerking genomen moet worden.
Voorts wees de rechtbank het beroep op de meerderheidsregel af, omdat deze alleen geldt bij ten minste twee nagenoeg identieke objecten die lager gewaardeerd zijn, terwijl eiser slechts één vergelijkingsobject aanvoerde. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter M. Greebe op 21 juli 2023.