De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering van het Openbaar Ministerie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. Het EAB betrof de aanhouding en overlevering van een Poolse verdachte geboren in 1981. De procedure startte in 2013 en kende meerdere zittingen, waarbij de verdachte steeds werd bijgestaan door een advocaat en tolk.
De behandeling werd in 2014 en 2015 voortgezet met instemming van partijen, maar het onderzoek werd geschorst vanwege een gerelateerde procedure. De wettelijke beslistermijn werd toen voor onbepaalde tijd verlengd. In 2023 werd de behandeling hervat, waarbij de verdachte niet persoonlijk aanwezig was maar vertegenwoordigd door een raadsman.
De rechtbank constateerde dat de wettelijke beslistermijn inmiddels was verstreken en dat verlenging daarvan niet meer mogelijk was na wetswijziging in 2021. Tevens stelde de rechtbank vast dat de Poolse autoriteiten het EAB hadden ingetrokken. Op grond hiervan verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vordering tot behandeling van het EAB. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.