ECLI:NL:RBAMS:2023:5217

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juli 2023
Publicatiedatum
14 augustus 2023
Zaaknummer
C/13/736922 / HA RK 23-239
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbHR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. J.A.W. Jansen, bestuursrechter te Amsterdam, in verband met vermeende vooringenomenheid tijdens de behandeling van zijn bestuursrechtelijke zaak. Het verzoek richtte zich op de beslissing van de rechter om de zaak niet te schorsen en een (tussen)uitspraak te doen.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 Awb Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat rechterlijke beslissingen zelf geen grond voor wraking kunnen vormen, tenzij er sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Uit de zittingsaantekeningen bleek dat de rechter op zorgvuldige wijze heeft gehandeld en de procedure heeft toegelicht.

De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat de motivering van de rechter niet anders kan worden uitgelegd dan als onpartijdig. Er is geen sprake van een schending van de onpartijdigheid of van een vooringenomen houding. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek werd daarom achterwege gelaten en het verzoek werd afgewezen.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 18 juli 2023 ter zitting gedane en onder rekestnummer C/13/736922 / HA RK 23-239 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.A.W. Jansen, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
 de zittingsaantekeningen van de griffier van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Bij de rechtbank is een (beroeps)zaak van verzoeker in behandeling (zaaknummer AMS 23/516).

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat
het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
Uit de zittingsaantekeningen blijkt onder meer het volgende:
“Rechter: Heeft u alles kunnen zeggen?
Eiser: Nogmaals denk ik dat u de zaak moet schorsen.
Rechter: Wij gaan in de raadkamer over uw zaak praten. Daar gaan we bekijken of er voldoende informatie is om uitspraak te doen. Dit kan een uitspraak zijn of een tussenuitspraak. Als ik meer informatie nodig heb dan kan ik ook het onderzoek heropenen. U ontvangt hierover dan bericht.
Eiser: Als u zegt heropening dan heb ik liever een schorsing.
Rechter: Nee, ik ga nu niet schorsen. Ik zie geen aanleiding om nu te schorsen. Een tussenuitspraak kan ook nadat ik het onderzoek heb gesloten.
Eiser: Het punt waar u tegen aanloopt. Ik begrijp dat u erover moet nadenken, maar een zitting is een eindpunt. Ik kan daar niet mee akkoord gaan. Mijn rechten maken geen onderdeel uit van de procedure. Als mijn rechten geen onderdeel uitmaken van de procedure en de verplichtingen van het Uwv ook niet, dan is de uitspraak onrechtmatig.
Rechter: Ik zal in de uitspraak in gaan op uw gronden. Als het betekent dat u op het punt over 8.70 aan het EU-recht gelijk krijgt dan zou dat in een tussenuitspraak kunnen. Daar wil ik rustig over nadenken.
Eiser: Daar moet ik voorafgaand op de hoogte van worden gesteld. Dan moeten partijen worden gehoord.
Rechter: U vindt dat partijen op de hoogte moeten worden gesteld. Dat zou door middel van een tussenuitspraak kunnen.
Eiser: Als u het onderzoek sluit is het een eindpunt.
Rechter: U heeft een vraag opgeworpen waar een beslissing op moet nemen. Kan in de voorfase zoals u heeft verzocht, maar de rechtbank kan heropenen of een tussenuitspraak doen en dan ligt het onderzoek weer open. Dan wordt u geen recht ontnomen.
Eiser: Ik begrijp u volledig. Ik vind u ook een aardig persoon. Er staat zoveel op het spel. Ik moet u helaas wraken.
Rechter: Dat betekent dat we de zitting meteen stoppen. Dan zou de griffier nu uw wrakingsgronden noteren. Daarna bellen we of een wrakingskamer beschikbaar is. Dan willen we nu uw wrakingsgronden voor de griffier.
Eiser dicteert: “Geachte mevrouw de voorzitter, ik wraak u omdat u de beroepsprocedure in gelijke wijze vorm heeft gegeven als verweerder de bezwaarschriftprocedure waarbij mijn rechten die ik aan het unierecht ontleen en de verplichtingen die het unierecht verweerder oplegt geen onderdeel van de procedure vormen waardoor ik vrees dat mij tegenover of mijn zaak tegenover vooringenomen ben.”
3.5.
Het verzoek is gericht tegen de beslissing van de rechter de behandeling van de zaak van verzoeker niet te schorsen maar een (tussen)uitspraak te doen waarbij op de argumenten van verzoeker zal worden ingegaan. Een rechterlijke beslissing is geen grond voor wraking zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, A.W.J. Ros en M.V. Ulrici, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.