Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
[eiser 3],
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak gaat het om het gebruik van een woning die deel uitmaakt van de nalatenschap van een overleden moeder, waarvan de eisers de kinderen zijn en de gedaagde hun stiefvader. De kantonrechter Rotterdam had bepaald dat elk van de vier gemeenschappelijke eigenaren de woning drie maanden per jaar mag gebruiken, waarbij de gedaagde de woning vóór 1 augustus 2023 aan de anderen moest overdragen. Deze beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Eisers vorderden in kort geding nakoming van deze beschikking en het verlaten van de woning door de gedaagde op straffe van een dwangsom. De gedaagde stelde een voorwaardelijke reconventionele vordering in tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, die door het hof behandeld zal worden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangenafweging leidt tot het afwachten van de beslissing in het incident bij het hof. De feitelijke situatie was dat de gedaagde de primaire gebruiker was en de korte termijn tussen beschikking en overdracht hem onvoldoende gelegenheid gaf zich voor te bereiden. Daarom wordt de vordering van eisers afgewezen en wordt de beschikking voorlopig niet ten uitvoer gelegd. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: De vordering tot nakoming van de beschikking wordt afgewezen en de uitvoerbaarheid bij voorraad opgeschort tot het incident hoger beroep is beslist.