Eiser woonde met zijn partner, hun gezamenlijke dochter en twee andere kinderen samen in een gezinswoning. De Stichting, een gecertificeerde jeugdzorginstelling, gaf in februari 2021 een schriftelijke aanwijzing dat eiser niet in de woning mocht zijn als de kinderen aanwezig waren, vanwege een beschuldiging van verkrachting door een meerderjarige dochter, die deze beschuldiging later introk.
Eiser verliet daarop de woning en vorderde in kort geding dat de aanwijzing werd ingetrokken, wat de voorzieningenrechter toewijst. Eiser stelde vervolgens dat de Stichting onrechtmatig handelde en vorderde schadevergoeding. De Stichting stelde dat de aanwijzing een proportionele maatregel was ter bescherming van de kinderen en dat zij na ontvangst van de intrekkingsbrief onderzoek heeft gedaan en passende acties heeft ondernomen.
De rechtbank oordeelt dat de aanwijzing een inbreuk op het recht op gezinsleven van eiser vormt, maar dat deze inbreuk gerechtvaardigd was gezien de zorgplicht van de Stichting, de ondertoezichtstelling van de kinderen en het verleden van eiser. De Stichting had ook na de intrekkingsbrief nog een rechtvaardigingsgrond omdat zij onderzoek deed en de medewerking van betrokkenen ontbrak.
De rechtbank vernietigt het verstekvonnis dat de Stichting aansprakelijk stelde en wijst de vordering van eiser af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De Stichting wordt ontheven van de eerdere veroordeling tot schadevergoeding.