AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel en tenuitvoerlegging straf in Nederland
De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 augustus 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank tegen een Poolse verdachte die sinds 2017 rechtmatig in Nederland verblijft. Het EAB betreft een onherroepelijk vonnis van 2 jaar gevangenisstraf waarvan nog circa 1 jaar en 11 maanden resteert.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het Poolse proces, de overlevering niet geweigerd wordt op grond van artikel 12 OLWPro omdat de verdachte nalatig was in het doorgeven van adreswijzigingen en daarmee het risico op het niet ontvangen van oproepen heeft genomen. De feiten waarvoor de straf is opgelegd zijn naar Nederlands recht strafbaar en voldoen aan de dubbele strafbaarheidsvereiste.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte voldoet aan de voorwaarden van artikel 6a OLW voor gelijkstelling met een Nederlander, waaronder een ononderbroken verblijf van ten minste vijf jaar en behoud van verblijfsrecht ondanks de straf. De raadsvrouw voerde verjaring aan, maar de rechtbank verwierp dit op basis van een langere verjaringstermijn volgens Nederlands recht.
De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen, dat de opgelegde straf niet onverenigbaar is met Nederlands recht en dat de verdachte voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. Daarom wordt de overlevering geweigerd en wordt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen, inclusief gevangenhouding tot aan de uitvoering van de straf.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/154817-23
Datum uitspraak: 24 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 27 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 september 2019 door the Regional Court in Gdańsk,Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1965,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, advocaat te Breda, die waarneemt voor mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een onherroepelijk vonnis van the District Court in Sopot(Polen) van
29 december 2008 (II K 127/08).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 5 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsvrouw heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro kan worden afgezien.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLWPro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 31 juli 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon, voordat de dagvaarding werd uitgebracht, de hoogte van de straf met de officier van justitie was overeengekomen. De oproep voor de zitting, waarbij deze afspraak door de rechtbank zou worden bevestigd, is verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon bij de justitiële autoriteiten had opgegeven. De oproep is op dit adres door zijn moeder in ontvangst genomen. De opgeëiste persoon is op 18 augustus 2008 geïnstrueerd over de verplichting om adreswijzigingen door te geven aan de justitiële autoriteiten, en hem is kenbaar gemaakt dat als hij dat niet zou doen, alle brieven zouden worden verzonden naar het laatst bekende adres in Polen. Op 13 oktober 2008 heeft de opgeëiste persoon de justitiële autoriteiten geïnformeerd over zijn verhuizing naar Warschau met de mededeling dat hij de details van zijn nieuwe adres binnen veertien dagen zou doorgeven. Dat laatste heeft hij niet gedaan. Daarmee heeft de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank het risico genomen dat post ten aanzien van de strafrechtelijke procedure hem niet zou bereiken en is hij dus kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie over de procedure die tot het vonnis heeft geleid.
4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
eendaadse samenloop van valsheid in geschrifte en verduistering, terwijl de schuldige het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft,
en
verduistering, terwijl de schuldige het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is - met de opgeëiste persoon en de officier van justitie - van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 7 augustus 2023 volgt dat de strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld er niet toe zullen leiden dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland verliest.
Ook aan deze voorwaarde is dus voldaan.
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, onder 1 en sub f, OLW: verjaring
De rechtbank stelt vast dat de gelijkstelling van de opgeëiste persoon ertoe leidt dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld.
De raadsvrouw heeft in dat kader bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf naar Nederlands recht is verstreken. Die termijn bedraagt volgens haar 12 jaar.
Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf naar Nederlands recht niet is verstreken. De rechtbank verwijst daartoe naar de hiervoor onder 4 vermelde kwalificaties en de wettelijke regeling omtrent verjaring in artikel 70, eerste lid, onder 3, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:22 joPro. 6:1:23 van het Wetboek van Strafvordering). Hieruit blijkt dat de verjaringstermijn niet 12, maar 16 jaar bedraagt.
7.Strafovername
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 4 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Verder stelt de rechtbank op basis van het dossier en de verklaring van de opgeëiste persoon vast dat hij voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt. De opgeëiste persoon staat sinds 2017 ingeschreven op een adres in Nederland, heeft voor verschillende uitzendbureaus gewerkt en heeft sinds vier jaar in Nederland een eigen onderneming in de bouwsector.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
8.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro en dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
9.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 255, 321 en 322 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, en 7 OLW.
10.Beslissing
WEIGERTde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Regional Court in Gdańsk(Polen).
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van [opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J. van Zijl en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.