Verzoekster, een financiële dienstverlener met vestigingen in Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, verzocht om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van drie Amsterdamse vestigingen door de burgemeester voor zes maanden. De sluiting volgde op een reeks explosies en schietincidenten bij haar panden, waarbij sprake was van een vermoedelijk crimineel conflict.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester terecht heeft gehandeld op grond van artikel 2.10 van de APV en de beleidsregels sluitingen en heropeningen, vanwege het gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Hoewel verzoekster stelde dat het conflict was opgelost en de sluiting disproportioneel was, vond de rechter onvoldoende bewijs dat de dreiging was afgenomen.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het algemeen belang bij handhaving van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om haar bedrijfsactiviteiten te hervatten. De financiële gevolgen en het risico op verlies van de vergunning door De Nederlandsche Bank zijn ernstig, maar rechtvaardigen geen opheffing van de sluiting zolang de dreiging niet is weggenomen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en stelde dat de voorlopige voorziening niet kan worden toegekend zolang het bezwaar nog in behandeling is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.