Eiser heeft op 25 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor de functie van rijinstructeur. Verweerder heeft deze aanvraag op 17 augustus 2022 afgewezen en het bezwaar van eiser op 21 december 2022 ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens in beroep gegaan bij de rechtbank Amsterdam.
Binnen de terugkijktermijn van vijf jaar is vastgesteld dat eiser in november 2021 is veroordeeld wegens drugshandel, het aanwezig hebben van drugs, witwassen en valsheid in geschrifte, met een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank stelt vast dat aan het objectieve criterium is voldaan, maar dat het geschil vooral ligt bij het subjectieve criterium: of ondanks het objectieve criterium toch een VOG moet worden verstrekt.
Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de samenleving zwaarder weegt dan zijn persoonlijke belangen, waaronder zijn positieve ontwikkelingen en het lagere strafvonnis dan de eis. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder terecht meer gewicht heeft toegekend aan het risico voor de samenleving, mede vanwege de korte tijd sinds het einde van de proeftijd en het feit dat eiser zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen bij de reclassering.
De rechtbank concludeert dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt en dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.