ECLI:NL:RBAMS:2023:5913

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
AMS 22/5796
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17a AOWArt. 24 AOW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering AOW-pensioen na huwelijk, beroep ongegrond

Eiser, geboren in 1954 en gehuwd sinds 1990, ontving vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd in oktober 2020 een AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden. Verweerder heeft dit pensioen herzien naar de gehuwdennorm en het te veel ontvangen bedrag van €3.109,84 teruggevorderd. Na bezwaar matigde verweerder de terugvordering tot €1.560,78, omdat eiser en het Oostenrijkse verbindingsorgaan meerdere malen hadden doorgegeven dat eiser gehuwd was.

Eiser stelde dat hij bij de aanvraag en in levensverklaringen zijn huwelijkse staat had opgegeven en dat een fout van verweerder niet aan hem kon worden toegerekend. Hij voerde aan dat de matiging willekeurig was. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn informatieplicht had nageleefd en dat hij de fout van verweerder had kunnen onderkennen, omdat het toegekende bedrag en de toekenningsbeslissing duidelijk maakten dat het om een ongehuwdenpensioen ging.

De rechtbank stelde vast dat verweerder op grond van beleid en rechtsbeginselen niet tot volledige terugwerkende kracht hoefde over te gaan, mede gezien de verwijtbaarheid aan beide zijden. De matiging van de terugvordering was daarom terecht. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen vergoeding van griffierecht toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en gedeeltelijke terugvordering van het AOW-pensioen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/5796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser] , te Wenen (Oostenrijk), eiser

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van [medio oktober] 2020 herzien naar de norm voor gehuwden en een bedrag van € 3.109,84 aan teveel ontvangen AOW-pensioen van [medio oktober] 2020 tot en met juni 2022 van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 25 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Verweerder matigt de terugvordering tot een bedrag van
€ 1.560,78.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2023.
Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1954. Op [huwelijksdatum] 1990 is hij gehuwd met mevrouw [naam] . De pensioengerechtigde leeftijd van eiser (66 jaar en 4 maanden) heeft hij bereikt op [medio oktober] 2020. Eiser ontving vanaf dat moment een AOW-pensioen naar de norm van een ongehuwde.
1.2.
Met het primaire besluit heeft verweerder het AOW-pensioen van eiser per [medio oktober] 2020 herzien naar de norm van een gehuwde en een bedrag van € 3.109,84 aan te veel ontvangen AOW-pensioen over de periode [medio oktober] 2020 tot en met juni 2022 teruggevorderd.
1.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Volgens verweerder heeft eiser ten onrechte AOW gekregen naar de maatstaf van een ongehuwde/alleenstaande. Verweerder vindt dat er dringende redenen zijn om niet met volledige terugwerkende kracht te herzien. Zowel het Oostenrijkse verbindingsorgaan als eiser zelf hebben namelijk meerdere keren aan verweerder doorgegeven dat eiser is gehuwd. Volgens verweerder had eiser echter wel kunnen weten dat hij te veel AOW ontving, omdat in de toekenningsbeslissing van 17 november 2020 staat dat hij recht heeft op een ongehuwde/alleenstaande AOW. Daarom besluit verweerder om de maanden september 2021 tot en met juni 2022 niet langer te herzien. Over de periode [medio oktober] 2020 tot en met augustus 2021 wordt wel herzien. Hierdoor wordt het bedrag aan terugvordering gematigd tot € 1.560,78.
Standpunt van eiser
2. Eiser voert aan dat er dringende redenen zijn om van gehele terugvordering af te zien. Zo heeft eiser bij de aanvraag voor ouderdomspensioen en bij de jaarlijkse levensverklaringen verklaard dat hij getrouwd is. Volgens eiser kan een door verweerder gemaakte fout niet aan hem worden verweten. Dat in de toekenningsbeslissing van 17 november 2020 heeft gestaan dat een ongehuwde/alleenstaande AOW-uitkering uitbetaald zou worden, doet daar volgens eiser niets aan af. Hij heeft daar namelijk overeen gelezen en bovendien werd hij in een brief van verweerder van 18 oktober 2019 wel geclassificeerd als gehuwd. Ten slotte voert eiser aan dat de matiging willekeurig en onjuist is.
Het oordeel van de rechtbank
3. In geschil is de vraag of verweerder terecht het AOW-pensioen van eiser per [medio oktober] 2020 heeft herzien naar de norm van een gehuwde en het teveel ontvangen AOW-pensioen deels heeft teruggevorderd.
4. De rechtbank stelt voorop dat eiser is getrouwd op [huwelijksdatum] 1990. Eiser moet voor de toepassing van de AOW per [medio oktober] 2020 dus als gehuwd worden aangemerkt en heeft recht op een AOW-pensioen voor gehuwden. Er is daardoor sprake van ten onrechte te veel uitgekeerd pensioen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder met terugwerkende kracht ten nadele van eiser zijn AOW-pensioen mag herzien en terugvorderen.
5. Uit artikel 17a, eerste lid, van de AOW volgt dat als de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, verweerder gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het verlenen van een ouderdomspensioen tot een te hoog bedrag (a) maar ook indien anderszins het ouderdomspensioen tot een te hoog bedrag is verleend (b).
6. Uit artikel 24, eerste lid, van de AOW volgt dat verweerder een onverschuldigd betaalde uitkering moet terugvorderen. Als daarvoor dringende redenen bestaan kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dit is bepaald in artikel 24, vijfde lid, van de AOW. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een besluit voor de betrokkene heeft.
7. Op grond van de wettelijke bepalingen over herziening en terugvordering is verweerder dus in beginsel gehouden tot herziening en terugvordering van het teveel betaalde AOW-pensioen.
8. Verweerder heeft ook beleid [1] ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt is dat verweerder niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Verder ziet verweerder wegens dringende redenen af van herziening als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht onevenredig is.
9. In overeenstemming hiermee zal de rechtbank deze zaak beoordelen. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn gehuwde staat aan verweerder heeft doorgegeven bij de aanvraag voor ouderdomspensioen op 20 juni 2020 en in de levensverklaringen van 16 maart 2021 en
14 mei 2022. Daarnaast ziet de rechtbank in het dossier dat het Oostenrijkse verbindingsorgaan meerdere keren (op 11 december 2020 en 22 juni 2022) aan verweerder heeft doorgegeven dat eiser gehuwd is. De rechtbank oordeelt dat eiser daarmee heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder eiser met de brief van 18 oktober 2019 heeft meegedeeld dat hij per [medio oktober] 2020 een gehuwden AOW-pensioen krijgt ter hoogte van € 303,76 per maand. Bij besluit van 17 november 2020 krijgt eiser een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van € 413,36 per maand. In dat besluit is specifiek opgenomen dat het gaat om de toekenning van een ongehuwden/alleenstaanden AOW-uitkering. Ook wordt vermeld “u bent ongehuwd en woont alleen”. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser kunnen weten dat hij te veel AOW ontving, omdat het uitgekeerde maandbedrag veel hoger was dan het aanvankelijk berekende maandbedrag. Ook had hij kunnen lezen dat het om ongehuwden/alleenstaanden AOW-pensioen ging terwijl hij gehuwd is. Dat eiser per abuis over de kwalificering heen heeft gelezen, doet daar volgens de rechtbank niet aan af. De maatstaf is namelijk of eiser de fout van verweerder heeft kunnen onderkennen, niet of eiser de fout heeft onderkend. Omdat eiser de fout van verweerder in de zin van het niet tijdig herzien van de uitkering heeft kunnen onderkennen, vindt herziening in beginsel plaats met volledig terugwerkende kracht. Dat zou anders zijn als er sprake was van een dringende reden om van die verplichting af te zien. Maar daarvan is volgens de rechtbank in dit geval niet gebleken.
10. Bij de vraag of het recht geheel of gedeeltelijk wordt herzien kijkt verweerder op grond van haar beleid onder andere nog naar de mate van verwijtbaarheid, zowel aan de kant van verweerder als aan die van de pensioenontvanger. Verweerder heeft in de bezwaarfase de terugvordering nagenoeg gehalveerd, omdat hij van mening is dat beide partijen ongeveer evenveel verwijt kan worden gemaakt. Gelet op hetgeen onder 9 is overwogen, vindt de rechtbank deze redenering goed te volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op de juiste wijze toepassing heeft gegeven aan zijn beleid en terecht is uitgekomen op een matiging van de terugvordering tot een bedrag van € 1.560,78.
Conclusie
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een juist besluit heeft genomen. Het beroep is ongegrond.
12. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2023.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie beleidsregel SB1078, versie 11.