Eiser, werkzaam als persoonlijk begeleider sinds 2006, heeft een aanvraag ingediend voor toelating tot de voorrangsregeling voor zorg- en onderwijspersoneel. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de vereisten van de Huisvestingsverordening 2020, met name omdat hij zijn echtelijke woning kon opeisen.
Eiser voerde aan dat het college het verkeerde artikel uit de verordening had toegepast en dat de hardheidsclausule van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten worden toegepast. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar passeerde dit omdat eiser hierdoor niet benadeeld was. Nieuwe informatie over het niet kunnen overnemen van de woning was na het besluit ingediend en kon daarom niet worden meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat het college de persoonlijke omstandigheden van eiser had meegewogen en dat geen sprake was van bijzondere hardheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg wel vergoeding van griffierecht en proceskosten toegewezen vanwege het motiveringsgebrek.
De uitspraak bevestigt dat het college met de beschikbare informatie terecht tot afwijzing kon besluiten en dat motiveringsgebreken niet altijd leiden tot vernietiging als er geen benadeling is.