ECLI:NL:RBAMS:2023:6198

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
6 oktober 2023
Zaaknummer
C/13/737349 / KG RK 23-1367
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 2 sub (e) EAPO-VoArt. 4 sub 8 EAPO-VoArt. 1062 RvVerordening (EU) nr. 655/2014Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Europees bevel tot conservatoir beslag bij arbitrageclausule

Schuldeiser, een Nederlandse vennootschap, verzocht om een Europees bevel tot conservatoir beslag (EAPO) op bankrekeningen van schuldenaar, een Spaanse vennootschap, in Spanje. Partijen hadden een arbitrageclausule in Amsterdam overeengekomen voor geschillenbeslechting. Schuldeiser startte een arbitrageprocedure bij het NAI.

De voorzieningenrechter oordeelde dat artikel 2 lid 2 sub Pro (e) van de EAPO-Verordening arbitrage expliciet uitsluit van toepassing, omdat arbitrage geen overheidsrechtspraak is. De verordening voorziet alleen in bevoegdheid voor gerechten van lidstaten die overheidsrechtspraak verrichten. Schuldeiser stelde dat analoge toepassing mogelijk is en verwees naar het arrest Van Uden/Decoline, maar de voorzieningenrechter verwierp dit.

Ook het beroep op buitenlandse uitspraken die anders oordeelden, werd niet gevolgd. De voorzieningenrechter concludeerde dat de EAPO niet kan worden afgegeven in arbitragezaken en dat conservatoire maatregelen via Brussel I-bis en nationale procedures moeten worden genomen. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van internationale bevoegdheid bij arbitrage.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rekestnummer: C/13/737349 / KG RK 23-1367 HH/RS
Beschikking van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STX COMMODITIES BV,
gevestigd te Amsterdam,
schuldeiser,
advocaat mr. M. Rietveld te Amsterdam,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
DESTILADOS IBEROAMERICANOS S.L.,
gevestigd te Puertollano, Spanje,
schuldenaar.

1.De procedure

1.1.
Schuldeiser heeft op 28 juli 2023 een formulier, bijlage I van de Verordening (EU) nr. 655/2014) van het Europees Parlement en de Raad (hierna EAPO-Vo) met producties ingediend. Het formulier betreft een verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslaglegging op bankrekeningen in Spanje ten laste van schuldenaar.
1.2.
Op 10 augustus 2023 heeft de griffier namens de voorzieningenrechter aan (de advocaat van) schuldeiser het volgende bericht:

In de toelichting bij het verzoek wordt gesteld en onderbouwd dat het verzoek om een EAPO op bankrekeningen van gerekwestreerde in Spanje voor toewijzing gereed ligt. Dit ondanks het feit dat de eis in de hoofdzaak wordt ingesteld via
arbitrage in Amsterdam, terwijl volgens artikel 2 lid 2 sub Pro (e) de EAPO-Vo niet van toepassing is op arbitrage. De voorzieningenrechter is voornemens dit verzoek af te wijzen omdat zij geen internationale bevoegdheid heeft om het bevel uit te vaardigen. Uit overweging 13 van de EAPO-Vo volgt dat die bevoegdheid tot uitvaardiging van een EAPO berust bij het gerecht van de lidstaat waarvan de gerechten bevoegd zijn om van het bodemgeschil kennis te nemen. Onder bodemgeschil wordt in overweging 13 verstaan elke procedure tot het verkrijgen van een uitvoerbare titel betreffende de onderliggende vordering. Zowel de aanduiding rechterlijke instantie (het “gerecht”) in artikel 2 lid Pro 1, als de definitie van “rechterlijke uitspraak” in artikel 4 sub Pro 8 EAPO-Vo onderbouwt dat het moet gaan om een procedure bij een instantie die valt onder overheidsrechtspraak. Daar valt arbitrage niet onder, zoals ook blijkt uit de expliciete uitsluiting daarvan in artikel 2 lid 2 sub Pro (e) EAPO-Vo.
Dat betekent niet dat verzoekster geen conservatoire maatregelen kan treffen in geval van een bodemprocedure in arbitrage, maar de bevoegdheid en of dit mogelijk is, dient te worden bepaald conform Brussel I-bis. De EAPO-Vo geeft een specifiek mogelijkheid voor beslag op buitenlandse bankrekeningen waarbij de procedure om een titel te verkrijgen voor de vordering waarvoor beslag gelegd is gevoerd beperkt is tot overheidsrechtspraak. Voor een ruimere uitleg van de EAPO-Vo, omdat deze anders zijn doel volledig zou voorbijschieten, zoals door verzoekster betoogd is, is dan ook geen grond naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter.
Graag verneem ik van u naar aanleiding van het bovenstaande.”
1.3.
Bij brief van 21 augustus 2023 heeft schuldeiser gereageerd.
1.4.
De beschikking is bepaald op heden.

2.Het verzoek

2.1.
Partijen hebben op 21 oktober 2022 een overeenkomst gesloten waarbij schuldeiser aan schuldenaar 200 MT
Fattymatterheeft verkocht. Daarbij zijn partijen overeengekomen om eventuele geschillen tussen partijen te beslechten via arbitrage in Amsterdam. Volgens schuldeiser is schuldenaar de overeenkomst niet nagekomen waarna zij de overeenkomst partieel heeft ontbonden. Schuldeiser stelt een vordering van € 324.389,25 op schuldenaar te hebben uit hoofde van schadevergoeding. Op 28 juli 2023 heeft schuldeiser daarover een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) te Rotterdam.
2.2.
In de begeleidende brief bij het EAPO-verzoek om bevel van 28 juli 2023 en in haar reactie van 21 augustus 2023 licht schuldeiser – samengevat – toe dat artikel 2 lid 2 sub Pro (e) EAPO-Vo bepaalt dat de verordening niet van toepassing is op arbitrage maar dat die uitsluiting niet zo letterlijk moet worden uitgelegd en dat er ruimte is voor analoge toepassing. Zij stelt dan ook dat de Nederlandse voorzieningenrechter conservatoire maatregelen in Spanje kan treffen ook in geval van een bodemprocedure middels arbitrage in Nederland.

3.De beoordeling

3.1.
Schuldeiser, een Nederlandse vennootschap, verzoekt om een EAPO op bankrekeningen die schuldenaar, een Spaanse vennootschap, aanhoudt in Spanje. Partijen zijn overeengekomen dat geschillen worden beslecht via arbitrage in Amsterdam. Schuldeiser heeft inmiddels een arbitrageverzoek ingediend bij het NAI te Rotterdam. De eerste vraag die voorligt is of de voorzieningenrechter te Amsterdam internationale bevoegdheid heeft om de EAPO uit te vaardigen. Schuldeiser meent dat dit het geval is, ondanks dat artikel 2 lid 2 sub Pro (e) van de EAPO-Vo vermeldt dat de verordening niet van toepassing is op arbitrage.
3.2.
De EAPO-Vo vermeldt in artikel 2 dat Pro deze van toepassing is op geldelijke vorderingen in alle burgerlijke en handelszaken in grensoverschrijdend verband, ongeacht de aard van de rechterlijke instantie (het ‘gerecht’). Zowel de aanduiding rechterlijke instantie (het ‘gerecht’) in artikel 2 lid Pro 1, als de definitie van ‘rechterlijke uitspraak’ in artikel 4 sub Pro 8 EAPO-Vo onderbouwt dat het moet gaan om een procedure bij een instantie die valt onder overheidsrechtspraak. Dit strookt ook met overweging 13 van de EAPO-Vo waaruit volgt dat de bevoegdheid tot uitvaardiging van een EAPO berust bij het gerecht van de lidstaat waarvan de gerechten bevoegd zijn om van het bodemgeschil kennis te nemen. Onder bodemgeschil wordt in overweging 13 verstaan elke procedure tot het verkrijgen van een uitvoerbare titel betreffende de onderliggende vordering. Arbitrage is geen overheidsrechtspraak en de expliciete uitsluiting daarvan in artikel 2 lid 2 sub Pro (e) EAPO-Vo onderstreept dat ook. Enige beperking of toevoeging van het begrip ‘arbitrage’ staat daar niet bij vermeld. In overweging 8 staat voorts dat de vordering alle burgerlijke en handelszaken omvat behalve bepaalde duidelijk omschreven uitzonderingen. Dit duidt op een letterlijke interpretatie van het begrip ‘arbitrage’ en niet op een beperkte zoals schuldeiser aanvoert. Dat met ‘arbitrage’ alleen bedoeld zou zijn geschillen waarbij arbitrage het onderwerp van geschil is, is dan ook niet aannemelijk. De uitleg die schuldeiser geeft aan overweging 13 EAPO-Vo, dat onder “elke procedure tot het verkrijgen van een uitvoerbare titel betreffende de onderliggende vordering” ook wordt begrepen de procedure bij de “gewone” rechter tot het verkrijgen van een exequatur op een arbitraal vonnis (vgl. artikel 1062 Rv Pro) gaat niet op. De exequatur-procedure omvat bij een arbitraal vonnis tussen lidstaten van de EU (conform het Verdrag van New York) immers niet een volledige toetsing van de uitspraak (geen erkenning), omdat die beoordeling is beperkt tot de vraag of het vonnis uitvoerbaar wordt verklaard in het betreffende land. Daarbij zal die toetsing in dit geval niet plaatsvinden in de Nederland, maar in Spanje, nu het arbitraal vonnis daar ten uitvoer zal worden gelegd op de vermogensbestanddelen, zoals bankrekeningen, die zich daar bevinden.
3.3.
Schuldeiser stelt voorts dat naar analogie van de EEX-Vo (thans Brussel I-bis) wel een EAPO kan worden afgegeven. Zij beroept zich daarbij op het arrest Van Uden/Decoline [1] waarin het HvJ bevestigt dat ondanks een arbitragebeding het mogelijk is om de gewone rechter te verzoeken om het gelasten van voorlopige maatregelen. Schuldeiser meent dat zij parellel aan de arbitrageprocedure om een voorlopige voorziening (zoals een EAPO) kan verzoeken ter zekerheid van adequaat verhaal op haar wederpartij in Spanje. Op zich is het juist dat schuldeiser op grond van Brussel I-bis bewarende maatregelen tegen schuldenaar kan nemen, zoals conservatoir beslag, maar dan alleen volgens de regels van de betreffende lidstaat, zoals conservatoir beslag in Nederland op grond van artikel 700 Rv Pro of een soortgelijke procedure in Spanje. De EAPO-Vo geeft een specifieke mogelijkheid voor beslag op buitenlandse bankrekeningen waarbij de procedure die moet worden gevoerd om een titel te verkrijgen voor de vordering waarvoor beslag gelegd is beperkt is tot overheidsrechtspraak. Voor een ruimere uitleg van de EAPO-Vo, omdat deze anders zijn doel volledig zou voorbijschieten, zoals door schuldeiser betoogd is, is dan ook geen grond.
3.4.
Tenslotte stelt schuldeiser dat er Europese rechters zijn die ruimte hebben gevonden om hun bevoegdheid voor toewijzing van een EAPO verzoek in geval van arbitrage te erkennen. Zij beroept zich daarbij op twee (niet gepubliceerde) uitspraken van een Poolse- [2] en een Luxemburgse rechter [3] . Dat er Europese rechters zijn die wel een EAPO hebben afgegeven maakt niet dat daarmee het standpunt van schuldeiser juist is. Zoals hiervoor overwogen kan de voorzieningenrechter zich niet in deze beslissingen vinden en is zij niet gehouden die te volgen.
3.5.
Vorenstaande leidt tot de beslissing dat het verzoek om een EAPO wordt afgewezen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door R.J.J. Stoops, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2023. [4]

Voetnoten

1.HvJ EG 17 november 1998; ECLI:EU:C:1998:543
2.Sad Apelacyjny w Rzeszowie, 1Wydzial Cywilny (14 July 2019) 1ACz 391/17 (niet gepubliceerd), zie Grzegorz Pobozniak and Pawel Sikora, ‘The Admissibility of a European Account Preservation Order in the Event of an Arbitration Clause' Czech & Central European Yearbook of Arbitration (2018), p. 226 - 227.
3.Tribunal d’arrondissement de Luxembourg, Ordonnance du 24 septembre 2021 (niet gepubliceerd).
4.type: RS