In deze zaak vordert Stichting Dierenrecht dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt door stambomen af te geven voor kortsnuitige honden die volgens de handhavingscriteria niet aan welzijnseisen voldoen. De Raad van Beheer wil de Staat in vrijwaring roepen, stellende dat de handhavingscriteria strijdig zijn met het Besluit houders van dieren en fundamentele rechtsbeginselen.
De rechtbank beoordeelt dat voor toewijzing van de vrijwaringsvordering vereist is dat de hoofdzaak en de vrijwaringsprocedure afhankelijk van elkaar zijn. Dit is niet het geval, omdat de Raad van Beheer in de hoofdzaak een verweer voert dat zij niet onrechtmatig handelt vanwege gebrekkige regelgeving. Als dat verweer wordt gehonoreerd, faalt de hoofdzaak; als het wordt verworpen, kan de Raad van Beheer de gevolgen niet afwentelen op de Staat.
Daarom wijst de rechtbank de vordering tot oproeping in vrijwaring af en veroordeelt de Raad van Beheer in de proceskosten van het incident. De zaak wordt op 22 november 2023 hervat voor de verdere behandeling van de hoofdzaak.