ECLI:NL:RBAMS:2023:6942
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering inzake bewijs schenking nalatenschap tussen broers
In deze zaak zijn twee broers de enige erfgenamen van hun moeder die in 2020 is overleden zonder testament. De eiser vordert dat de gedaagde, zijn broer, een schriftelijk bewijs overlegt waaruit blijkt dat hij een bedrag van 1,1 miljoen euro aan hun moeder heeft geschonken. De gedaagde voert verweer dat het bedrag via meerdere transacties is overgemaakt en dat het Zwitserse vermogen van hun moeder afkomstig was van hemzelf, wat door de Zwitserse openbaar aanklager is onderzocht en bevestigd.
De rechtbank oordeelt dat de eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van één transactie van 1,1 miljoen euro, waardoor het gevraagde afschrift niet bestaat. Daarnaast is het rechtmatig belang van de eiser niet aannemelijk gemaakt, mede omdat hij al een volmacht heeft om bankafschriften op te vragen en het onderzoek van de Zwitserse justitie geen aanwijzingen gaf voor onttrekking van vermogen.
De nalatenschap bevindt zich in de fase van vereffening en de gevorderde documenten zijn niet noodzakelijk voor het voldoen van schulden. De vordering wordt daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot overlegging van schriftelijk bewijs van schenking wordt afgewezen wegens ontbreken van het gevraagde afschrift en onvoldoende rechtmatig belang.