Op 15 augustus 2023 maakte verdachte zich schuldig aan meerdere strafbare feiten in Amsterdam, waaronder poging tot zware mishandeling, mishandeling met pepperspray, belediging door spugen en het voorhanden hebben van pepperspray. De rechtbank oordeelde dat de poging tot zware mishandeling niet bewezen kon worden omdat er geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel was.
De rechtbank vond wel bewezen dat verdachte pepperspray gebruikte om aangevers te mishandelen en dat hij een busje pepperspray bij zich had. Dit werd ondersteund door verklaringen van aangevers, een foto van het letsel, het aantreffen van een busje en de waarneming van een scherpe lucht door een verbalisant. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat de beveiligers gerechtigd waren op te treden.
Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte een aangever in het gezicht heeft gespuugd, ondersteund door meerdere verklaringen. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, lager dan de eis van vijf maanden, mede omdat poging tot zware mishandeling niet bewezen werd. De reeds ondergane voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en om de strafzaak niet te belasten. De rechtbank bepaalde dat beide partijen hun eigen kosten dragen.