KPN en Broadcom voeren een geschil over de voortzetting van softwarelicenties na afloop van een overeenkomst die liep tot 1 juli 2023. KPN wenst gebruik te blijven maken van bepaalde softwareproducten tegen een aanzienlijk lager tarief dan door Broadcom voorgesteld, en vordert in kort geding een tijdelijke voortzetting van het gebruik onder voorwaarden die zij redelijk acht.
Broadcom heeft aangegeven licenties voortaan alleen via resellers te willen leveren, met hogere prijzen dan KPN wenst te betalen. KPN stelt dat de prijsverhogingen excessief zijn en dat Broadcom onrechtmatig handelt, onder meer wegens misbruik van economische machtspositie. Broadcom betwist dit en wijst op contractsvrijheid en het ontbreken van een machtspositie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat KPN onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Broadcom onrechtmatig heeft gehandeld of een economische machtspositie bezit. De prijsverhogingen zijn niet evident onredelijk en het onderhandelingsproces is niet moedwillig vertraagd door Broadcom. KPN heeft zelf het risico genomen door te laat te starten met verlengingsonderhandelingen.
De vorderingen tot voortzetting van het gebruik van software tegen de door KPN gewenste voorwaarden worden afgewezen. KPN wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van contractsvrijheid en dat een bodemprocedure beter geschikt is voor beoordeling van de redelijkheid van tarieven.