ECLI:NL:RBAMS:2023:814

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
17 februari 2023
Zaaknummer
C/13/729482 / HA RK 23-36
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en misbruik van recht

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters belast met zijn strafzaken, stellende dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid en een persoonlijk belang van de voorzitter. De rechtbank nam kennis van het verzoek en de processtukken, waarna de rechters niet in de wraking berustten.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 en Pro 513 Sv en concludeerde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was. De gronden voor wraking werden onvoldoende onderbouwd; er waren geen feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechters aantasten. Tevens was het verzoek het tweede ongegronde wrakingsverzoek van verzoeker, wat leidde tot de conclusie van misbruik van recht.

De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat toekomstige wrakingsverzoeken tegen deze rechters niet in behandeling worden genomen. Er werd geen mondelinge behandeling gehouden en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen als kennelijk niet-ontvankelijk en verdere verzoeken worden niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 31 januari 2023 ingekomen en onder rekestnummer C/13/729482 HA RK 23-36 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mrs. O.P.M. Fruytier, voorzitter en Ch.A. van Dijk en C.M. Delstra, leden van de meervoudige kamer in strafzaken, hierna gezamenlijk te noemen: de rechters.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
- het proces-verbaal terechtzitting van 31 januari 2023.
1.2.
De rechters hebben niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
De rechters zijn belast met de behandeling van de strafzaken van verzoeker met de parketnummers 10/294012-22 (A) en 13/064419 (B).
2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2023 heeft verzoeker, nadat zijn onderzoekswensen waren afgewezen, de rechters gewraakt. De gronden voor de wraking zijn:
a. De rechtbank heeft de overtuiging dat het bestanddeel wederrechtelijkheid geen onderdeel uitmaakt van de delictsomschrijving, althans dat dit onderdeel al voor de inhoudelijke behandeling bewezen is.
b. De voorzitter heeft een persoonlijk belang, waarover pas bij de mondelinge behandeling door verzoeker een toelichting zal worden gegeven.

3.De beoordeling van het verzoek

3.1.
Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 513, lid 1 Sv wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.4
Het verzoek ad a. is kennelijk niet-ontvankelijk. De stelling dat de rechtbank de overtuiging heeft dat het bestanddeel wederrechtelijkheid geen onderdeel uitmaakt van de delictsomschrijving, althans dat dit onderdeel al vóór de inhoudelijke behandeling bewezen is, wordt niet gedragen door hetgeen verzoeker heeft aangevoerd. Verzoeker heeft immers aangegeven dat de grond voor zijn wrakingsverzoek niet is gelegen in “het toewijzen of afwijzen van (zijn) onderzoekswensen”. Andere feiten of omstandigheden voor zijn stelling dat sprake is van een “totale vooringenomenheid ten aanzien van het bestanddeel van de wederrechtelijkheid” zijn gesteld noch gebleken. Het verzoek voldoet daarmee niet aan het bepaalde in artikel 513 lid 1 en Pro 3 Sv, inhoudende dat deze gronden tegelijk en zodra deze bekend zijn geworden moeten worden voorgedragen, en is dus kennelijk niet-ontvankelijk.
3.3.
Het verzoek ad b. is eveneens kennelijk niet-ontvankelijk, omdat de stelling dat de voorzitter een persoonlijk belang heeft niet is toegelicht. Ook in zoverre ontbeert het verzoek dus de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek voldoet daarmee niet aan het bepaalde in art. 513 lid 1 en Pro 3 Sv.
3.5.
Een mondelinge behandeling kan dan ook achterwege blijven. Het onderhavige wrakingsverzoek is, zoals de Wrakingskamer ambtshalve bekend is, het tweede wrakingsverzoek dat verzoeker zonder grond en zonder succes heeft ingediend. Omdat verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder grond, heeft ingezet, is naar het oordeel van de Wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking van de rechter(s) belast met de behandeling van deze zaak van verzoeker niet in behandeling worden genomen.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek af;
 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de rechter(s) belast met de behandeling van de zaak van verzoeker niet in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.