Overwegingen
1. De rechtbank stelt allereerst vast dat de eerder opgelegde dwangsommen volledig zijn verbeurd en dat verweerder in het kader van een gefaseerde aanpak niet volledig heeft beslist op het verzoek. Verweerder heeft in het verweerschrift van 5 oktober 2023 de rechtbank bericht dat hij verwacht uiterlijk op 31 maart 2024 te kunnen beslissen.
3. Bij die stand van zaken, en gegeven het feit dat het hier gaat om een vierde beroep niet tijdig, en een tijdsverloop van vrijwel twee jaren sedert de indiening van het verzoek waarbij volgens verweerder in het verweerschrift naar verwachting nog bijna vier maanden nodig is voor de besluitvorming, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het beroep op een zitting te behandelen, met oproeping van verweerder.
4. Ter zitting heeft de rechtbank ook de vraag aan de orde gesteld waarom eiseres nog een vierde beroep heeft ingesteld, waar alle eerdere zaken niet hebben geleid tot het door haar gewenste resultaat, en wat haar inzet nu is. De gemachtigde van eiseres heeft daarop te kennen gegeven dat er wel is getwijfeld of een vierde zaak nog zin zou hebben. Met zijn cliënte is gesproken over intrekking, vanuit de gedachte: wie heeft nog behoefte aan nieuws over corona na al die jaren. Aan een bestuursrechtelijke wraakexercitie bestaat geen behoefte. Er zijn ook gesprekken gevoerd met Kamerleden, maar de politieke optie van vragen was er niet. Toen is toch gekozen voor procederen, ook omdat rechterlijke uitspraken uitgevoerd dienen te worden. Ook is eiseres ontevreden over de hoogte van de dwangsom in het derde beroep. Tegen de hoogte van de dwangsom in die uitspraak heeft eiseres is geen verzet aangetekend, omdat dat volgens de gemachtigde van eiseres zinloos zou zijn.
5. Verweerder meent dat in de eerdere uitspraken wel terecht is geoordeeld dat sprake was van te laat beslissen, maar dat de opgelegde beslistermijnen niet haalbaar waren. Ook verweerder heeft geen verzet aangetekend, omdat wel sprake was van te laat beslissen.
6. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder ter zitting contact opgenomen met het ministerie om te bezien in welke mate prioritering van de besluitvorming nog tot versnelling zou kunnen leiden. Verweerders gemachtigde kon daarvoor en daarna niet uitsluiten dat enige versnelling of herprioritering mogelijk is, maar kon geen concrete toezeggingen doen. Zij heeft wel nog gewezen op de mogelijkheid van precisering van het verzoek die versnellend zou kunnen werken.
7. De rechtbank heeft ook aan de gemachtigde van eiseres verzocht te overleggen met zijn cliënte om zich te beraden over het vinden van (deel-)mogelijkheden voor de oplossing van het geschil. Die gemachtigde van eiseres heeft na overleg bericht dat zijn cliënte niet meer geïnteresseerd is in preciseringsafspraken. Die mogelijkheid was twee jaar geleden al aan de orde en heeft toen al niet tot een oplossing geleid. Precisering is ook moeilijk, juist omdat niet bekend is wat de inhoud is van de gevraagde stukken. Het Wob-verzoek is het uitwerpen van een hengel om te zien wat er dan boven water komt. Zijn cliënte wil ook om journalistieke redenen in één keer alle stukken om het hele verhaal in één keer te kunnen brengen.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. De rechtbank stelt allereerst met partijen vast dat de beslistermijn zeer ruimschoots is overschreden en dat eiseres na afloop van de door de rechtbank laatstelijk vastgestelde termijn opnieuw beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek.
10. Het beroep is dus gegrond. Dat is ook niet in geschil.
11. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit bekendgemaakt is, dient de rechtbank het bestuursorgaan wettelijk gezien op te dragen om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Dat kan anders zijn indien er sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen.
12. Verweerder heeft om en langere termijn gevraagd, tot eind maart 2024. In het verweerschrift blijft echter (evenals in de verweerschriften in de eerdere procedures, waarin ook de standaardtermijn van twee weken is gegeven) onduidelijk in hoeverre sprake is van een situatie waarin verweerder feitelijk niet of nauwelijks vrijheid heeft om het verzoek van eiseres sneller te behandelen, of een situatie waarin het niet beslissen wordt veroorzaakt door keuzes van verweerder die in beginsel ook anders kunnen uitvallen. Ook de feitelijke stand van zaken is daarin niet precies weergegeven. Daarover kon ook ter zitting geen opheldering worden verschaft. Zo blijft onduidelijk wat de precieze stand op het vlak van de digitale bewerking van de 6.500 documenten is, en in hoeverre de juridische beoordeling een aanvang heeft genomen.
13. Dat terwijl die vraag thans zo mogelijk nog indringender voorligt dan in de eerdere procedures. Deze zaak neemt tussen de andere beroepen niet tijdig in het zaaksbestand van de rechtbank in meer dan één opzicht een extreme plaats in, en dat is bij verweerder niet anders. Afhandeling van deze (in tijdsverloop en gevoerde procedures extreme) zaak dient dan de hoogste prioriteit te hebben bij verweerder, zelfs indien dat mogelijk vertraging in andere zaken met zich brengt. Daarvan blijkt (echter) in het geheel niet. Verweerder schetst dilemma’s die hij ziet, maar geen heldere keuzes.
14. Dat betekent dat de rechtbank geen grond ziet voor hantering van een langere termijn dan de standaardtermijn van veertien dagen.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 1.000,- (éénduizend euro) verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 50.000. Voor het in afwijking daarvan opleggen van een nog hogere dwangsom (onder aansluiting bij het civiele kader), zoals door eiseres is verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dwangsommen op de voet van artikel 8:55d van de Awb dienen (zoals ter zitting ook is geconstateerd) te worden voldaan uit de door ons allen op te brengen algemene middelen.
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift, 05 punt voor een reactie op het verweerschrift en 1 punt voor de zitting). Voor het aanmerken van deze zaak als nog steeds licht ziet de rechtbank geen aanleiding. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder ook het betaalde griffierecht vergoeden.
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op binnen
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 1.000,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 50.000,‑;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 december 2023.
Afschrift verzonden aan partijen op: