ECLI:NL:RBAMS:2023:8511

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 november 2023
Publicatiedatum
9 januari 2024
Zaaknummer
C/13/742899 / RK HA 23-377
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 40 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verschoning rechter afgewezen wegens ontbreken schijn van vooringenomenheid

Een verzoek tot verschoning van mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter bij de rechtbank Amsterdam, is ingediend door verzoeker bij de Wrakingskamer. Het verzoek was gebaseerd op de vermeende schijn van vooringenomenheid, omdat de rechter eerder als voorzitter had opgetreden in een wrakingszaak tegen dezelfde rechter, waarin het verzoek reeds was afgewezen zonder mondelinge behandeling.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 40 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering een verschoningsverzoek zonder mondelinge behandeling kan worden beslist. Verschoning dient ter verzekering van het vertrouwen in de rechterlijke onpartijdigheid. Uit het verzoek bleek niet dat de rechter zelf meent niet onpartijdig te kunnen zijn. De rechter achtte het wel verstandig om het wrakingsverzoek niet te behandelen om elke schijn van partijdigheid te vermijden.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) dat een rechterlijke beslissing nooit grond kan zijn voor het aannemen van de schijn van vooringenomenheid, zeker niet in een andere zaak dan die waarin het verzoek is gedaan. De enkele betrokkenheid van de rechter bij een eerdere uitspraak over een soortgelijk onderwerp is onvoldoende voor verschoning.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot verschoning af en beveelt toezending van de beslissing aan verzoeker en de rechter. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van feiten die de schijn van vooringenomenheid wekken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het onder rekestnummer C/13/ 742899 / HA RK 23- 377 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door: C/13/742899 HA RK 23-377
mr. A.W.J. Ros, kantonrechter bij de rechtbank Amsterdam, in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Wrakingskamer van 5 december 2023 hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Het door [verzoeker] bij de Wrakingskamer van de rechtbank te Amsterdam ingediende verzoek tot wraking van mr. T.L. Fernig-Rocour wordt op 5 december 2023 om 16.15 uur mondeling behandeld (zaaknummer C/13/742297 / HA RK 23-363). De rechter is ingeroosterd als voorzitter van die Wrakingskamer.

2.Het verzoek

2.1.
Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat de schijn van vooringenomenheid kan zijn ontstaan. De rechter is als voorzitter opgetreden van een Wrakingskamer die een eerder wrakingsverzoek van verzoeker gericht tegen dezelfde rechter heeft behandeld. In die zaak is op 9 augustus 2023 uitspraak gedaan en is het verzoek zonder mondelinge behandeling afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 40 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of sprake is van de in artikel 36 Rv Pro genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit voormelde bepaling valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.
3.3.
Vooropgesteld wordt dat uit het verschoningsverzoek niet blijkt dat de rechter zelf van mening is dat hij de zaak niet meer onpartijdig zou kunnen behandelen. Door de rechter is enkel aangevoerd dat het hem om iedere schijn van partijdigheid te vermijden verstandig lijkt om het onderhavige wrakingsverzoek niet te behandelen.
3.4.
Hoewel de wrakingskamer begrip heeft voor het standpunt van de rechter, laten de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad verschoning om die reden niet toe. De enkele betrokkenheid van de rechter bij een eerdere uitspraak in een geschil over een soortgelijk onderwerp levert geen feit of omstandigheid op waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, ook niet indien één van partijen bij dat eerdere geschil betrokken was. Waar uit HR 25 september 2018 (ECLI NL:HR:2018:1413) volgt dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit grond kan zijn voor het aannemen van (de schijn van) vooringenomenheid, geldt dat des te sterker voor de rechterlijke beslissing in een andere zaak dan die waarin het verschoningsverzoek is gedaan.
Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
De rechtbank:
 wijst het verzoek tot verschoning af;
 beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 41, tweede lid Rv wordt toegezonden aan:
 verzoeker;
 de rechter.
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. M.V. Ulrici en K.A. Brunner, leden, op 30 november 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.