ECLI:NL:RBAMS:2023:8511
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verschoning rechter afgewezen wegens ontbreken schijn van vooringenomenheid
Een verzoek tot verschoning van mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter bij de rechtbank Amsterdam, is ingediend door verzoeker bij de Wrakingskamer. Het verzoek was gebaseerd op de vermeende schijn van vooringenomenheid, omdat de rechter eerder als voorzitter had opgetreden in een wrakingszaak tegen dezelfde rechter, waarin het verzoek reeds was afgewezen zonder mondelinge behandeling.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 40 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering een verschoningsverzoek zonder mondelinge behandeling kan worden beslist. Verschoning dient ter verzekering van het vertrouwen in de rechterlijke onpartijdigheid. Uit het verzoek bleek niet dat de rechter zelf meent niet onpartijdig te kunnen zijn. De rechter achtte het wel verstandig om het wrakingsverzoek niet te behandelen om elke schijn van partijdigheid te vermijden.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) dat een rechterlijke beslissing nooit grond kan zijn voor het aannemen van de schijn van vooringenomenheid, zeker niet in een andere zaak dan die waarin het verzoek is gedaan. De enkele betrokkenheid van de rechter bij een eerdere uitspraak over een soortgelijk onderwerp is onvoldoende voor verschoning.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot verschoning af en beveelt toezending van de beslissing aan verzoeker en de rechter. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van feiten die de schijn van vooringenomenheid wekken.