Eiser ontving vanaf juni 2014 een bijstandsuitkering die later werd ingetrokken door verweerder wegens schending van de inlichtingenplicht. Uit onderzoek bleek dat eiser in de periode tot medio december 2020 betrokken was bij drugshandel en aanzienlijke geldbedragen niet had gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht had op bijstand over de betwiste periode. Zijn verklaringen over de herkomst van het in beslag genomen geld werden niet ondersteund door objectieve gegevens. Verweerder heeft terecht de uitkering ingetrokken en € 30.000 teruggevorderd.
Eiser voerde aan dat er dringende redenen waren om terugvordering te vermijden, zoals schulden en medische problemen, maar deze werden niet met bewijs onderbouwd. De rechtbank concludeert dat terugvordering sociaal en financieel aanvaardbaar is, mede omdat eiser een groot deel van het bedrag kan voldoen zodra beslag wordt opgeheven.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Doets op 1 november 2023.