Op 17 juni 2023 heeft verdachte een medewerker van het openbaar vervoer mishandeld door hem met kracht in het gezicht te slaan, waarbij een oogkas werd gebroken, en hem meermalen te bespugen. De rechtbank achtte bewezen dat het slachtoffer hierdoor lichamelijk en psychisch letsel opliep. Verdachte werd vrijgesproken van zware mishandeling en poging daartoe, omdat het letsel niet voldeed aan de hoge eisen voor zwaar lichamelijk letsel en er geen opzet op zodanig letsel was.
Verdachte beriep zich op noodweer, maar de rechtbank verwierp dit verweer wegens gebrek aan bewijs voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie maanden op, zwaarder dan de eis van twee maanden, mede vanwege het ontbreken van verantwoordelijkheid en de impact op het slachtoffer en de veiligheid in het openbaar vervoer.
Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegewezen aan het slachtoffer, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. Verdachte had reeds ruim drie maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, welke straf in mindering werd gebracht. De rechtbank verklaarde het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en sprak verdachte daarvan vrij.