ECLI:NL:RBAMS:2023:8795

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 november 2023
Publicatiedatum
19 april 2024
Zaaknummer
C/13/741122 / HA RK 23-330
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter-commissaris wegens vermeende partijdigheid

In deze zaak heeft mr. Van Weers namens zijn cliënt een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris te Amsterdam, mevrouw B.E. Mildner. Het verzoek volgde op een incident tijdens een getuigenverhoor waarbij mr. Van Weers lachte en daarop werd aangesproken door de rechter-commissaris. De advocaat voelde zich onterecht behandeld en stelde dat de rechter-commissaris bevooroordeeld was.

De wrakingskamer heeft het proces-verbaal en de e-mail van mr. Van Weers beoordeeld. De kamer benadrukt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De kamer oordeelt dat het weigeren om bepaalde opmerkingen in het proces-verbaal op te nemen en het tijdstip van het horen van deskundigen geen grond voor wraking vormen. Ook het handhaven van orde tijdens het verhoor valt binnen het rechterlijk domein.

De kamer stelt dat de uitlatingen van mr. Van Weers over vermeende vooringenomenheid niet geschikt zijn voor behandeling in een wrakingsprocedure en dat hiervoor een klachtenregeling bestaat. Gezien het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid wordt het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Een mondelinge behandeling is achterwege gelaten en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 20 oktober 2023 gedane en onder rekestnummer C/13/741122/ HA RK 23/330 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
gemachtigde mr. J. van Weers,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. B.E. Mildner, rechter-commissaris te Amsterdam, hierna ook wel: de rechter.

1.De procedure

1.1.
De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 2023 in de zaak met parketnummers 13.665083.18 en 13.665086.18, waarin is opgenomen dat verzoeker de rechter wraakt. Aan het proces-verbaal is een e-mail van mr. Van Weers gehecht van 20 oktober 2023, die hij na het verlaten van de zaal aan de rechter heeft gestuurd.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1
Uit het proces-verbaal blijkt dat zich tijdens het getuigenverhoor onder meer het volgende heeft voorgedaan.
“Op vragen van de rechter-commissaris heeft de getuige antwoord gegeven. Tijdens het beantwoorden van vragen van de rechter-commissaris trok mr. Van Weers de aandacht van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris zag dat mr. Van Weers aan het lachen was. De rechter-commissaris heeft mr. Van Weers gevraagd wat er aan de hand was, waarom hij zat te lachen. Mr. Van Weers antwoordde dat hij lacht omdat hij het leuk vindt om te zien hoe de getuige zo uitgebreid aan het praten is. Daarop heeft de rechter-commissaris hem gezegd dat het lachen haar afleidt en heeft zij hem verzocht een meer neutrale houding aan te nemen. Mr. Van Weers verweet de rechter-commissaris daarop dat zij hem niet toestaat zichzelf te zijn en vroeg de rechter-commissaris waarom zij "altijd op hem loopt te zeiken".
Volgens hem was het altijd hetzelfde met deze rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft mr. Van Weers gevraagd om op de gang, buiten de verhoorkamer verder te praten, maar dat wilde hij niet omdat dat volgens hem toch geen zin had. Hij verzocht de rechter­ commissaris dit alles op te nemen in het proces-verbaal van het getuigenverhoor. Nadat de rechtercommissaris tegen hem zei dat zij dat niet zou doen, heeft mr. Van Weers de rechter­ commissaris gewraakt. Mr. Van Weers heeft herhaald dat deze rechter-commissaris "altijd tegen hem loopt te zeiken".
Na de mededeling van de rechter-commissaris dat het getuigenverhoor dan alleen nog maar doorgaat in de zaak van [naam] , heeft mr. Van Weers de verhoorkamer verlaten.”
2.2
In zijn e-mail van 20 oktober 2023 heeft mr. Van Weers nog het volgende aangevoerd:
“Door deze bevestig ik dat ik u zojuist gewraakt heb tijdens het getuigenverhoor.
Ik zat op een stoel, vier stoelen van de getuige vandaan dus amper in uw gezichtsveld. Ik glimlachte om de wijze waarom de getuige zijn familierelatie met mijn client [verzoeker] aan het beschrijven was. Misschien heb ik er een heel zacht geluidje bij gemaakt. Ik betwijfel of de overige aanwezigen bemerkt hebben dat ik de getuige heel vermakelijk vond.
Dit was voor u voldoende om mij terecht te wijzen. Het glimlachje en het eventuele minimale geluidje leidde u namelijk enorm af. We waren nota bene al vijf minuten bezig en u vond dat u mij al terecht moest wijzen. Met name de wijze waarop en het waarom schoot bij mij in het verkeerde keelgat. Het is niet zo dat ik luid aan het
lachen was, het verhoor verstoorde danwel anderszins. Het zal ook u bekend zijn dat primaire reacties moeilijk te onderdrukken zijn.
Gezien de wijze waarop een en ander geschiedde vond ik het van belang om akte te vragen van het verhandelde nu dat mij zou kunnen beschermen in het verdere verloop van het verhoor respectievelijk van deze zaak. Ik kan bijvoorbeeld niet uitsluiten dat ik wellicht nogmaals moet glimlachen. Ik meen dus het van belang was om akte te krijgen teneinde daar later in deze zaak eventueel naar te kunnen verwijzen. U weigerde, overigens volstrekt ongemotiveerd, akte op te maken waarna mij, in mijn ogen, niets anders restte dan om u te wraken. U deelde mij toen mede dat het verhoor voor mijn clienten was afgelopen.
U lijkt zodanig bevooroordeeld te zijn ten opzichte van mij als persoon dat dat de verdediging van mijn dient niet ten goede komt.
Een ander voorbeeld daarvan is dat ik al in 2020 heb verzocht om het horen van ondermeer de twee deskundigen die een verklaring ten overstaan van de politie hebben gelegd. Ik heb aangedrongen op een spoedig verhoor doch u hebt besloten deze getuigen pas te gaan horen nadat het dossier gereed was. Nu is het eind-dossier nog steeds niet beschikbaar maar op een verzoek van Mr A. Kan om de getuigen te horen hebt u plots wel de verhoren alvast ingepland. Het lijkt erop dat verzoeken van andere advocaten zwaarder wegen dan mijn verzoeken.”

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1413 volgt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Voor de motivering van een beslissing geldt dat deze evenmin grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.3.
Uit het proces-verbaal blijkt dat de grond voor indiening van het wrakingsverzoek is gelegen in de omstandigheid dat de rechter geweigerd heeft in het proces-verbaal van getuigenverhoor op te nemen dat zij de advocaat had verzocht om een meer neutrale houding aan te nemen, dat zij hem niet toestaat zichzelf te zijn en dat zij “altijd op hem loopt te zeiken”. Noch deze beslissing, noch (het achterwege blijven van) de motivering ervan kan een grond voor wraking vormen. Hetzelfde geldt voor de beslissing om de door mr. Van Weers genoemde deskundigen niet al in 2020 te horen, maar pas in 2023 naar aanleiding van een verzoek van een andere advocaat.
3.4.
Ook de wijze waarop de rechter de orde van het getuigenverhoor heeft bewaakt, zoals beschreven in het proces-verbaal en de e-mail van mr. Van Weers, behoort tot het rechterlijk domein en kan dus op zichzelf geen grond voor wraking opleveren. Dat de door de rechter gegeven motivering (“
dat het lachen haar afleidt”) niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid jegens de (overigens niet aanwezige) cliënt van mr. Van Weers, is gesteld noch gebleken. De stelling van mr Van Weers dat de rechter “altijd tegen hem loopt te zeiken” leent zich niet voor behandeling in een wrakingsprocedure. Hiervoor kent de rechtbank een klachtenregeling.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan dan ook achterwege blijven.
4. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en
A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.