ECLI:NL:RBAMS:2024:1227

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 februari 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
C/13/724859 / FA RK 22-6876
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moeder krijgt eenhoofdig gezag over minderjarige vanwege verstoorde ouderrelatie

De rechtbank Amsterdam heeft op 15 februari 2024 uitspraak gedaan in een zaak betreffende het gezag over een minderjarige. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag vanwege de verstoorde relatie en communicatie met de vader. De vader had geweigerd deel te nemen aan het Ouder- en Kindteam traject, waardoor de beoogde verbetering uitbleef.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf de vader aan het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag te accepteren, omdat hij meent dat dit in het belang van het kind is en rust zal brengen. De moeder zet zich in voor het contact tussen vader en kind en betreurt de ontstane situatie. De Raad voor de Kinderbescherming uitte zorgen over de dynamiek tussen de ouders en kondigde een beschermingsonderzoek aan.

De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico voor het kind vormt en dat het eenhoofdig gezag aan de moeder moet worden toegekend om het kind te beschermen tegen de conflicten tussen de ouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder wegens het onaanvaardbare risico voor het kind door de verstoorde relatie tussen ouders.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/724859 / FA RK 22-6876 (gezag)
Beschikking van 15 februari 2024
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. O. Asscher te Amsterdam,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. Pinarbasi-Ilbay te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.De verdere procedure

1.1.
De rechtbank houdt rekening met de beschikking van de rechtbank van 21 april 2023 waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij voornoemde beschikking is een zorgregeling vastgesteld, is een door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie vastgesteld, is het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] afgewezen en is het verzoek van de moeder inzake het gezag pro forma aangehouden, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, in afwachting van het – vrijwillig – door ouders te volgen traject bij het Ouder- en Kindteam (verder: OKT). Thans ligt alleen nog het verzoek van de moeder met betrekking tot het gezag aan de rechtbank voor.
1.2.
De rechtbank heeft kennis genomen van de nadien ingekomen stukken, te weten het F9 formulier van de zijde van de moeder, ingekomen bij de rechtbank op 28 september 2023.
1.3.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft opnieuw plaatsgevonden op 15 februari 2024. Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
  • mevrouw [naam] , namens de Raad.

2.De verdere beoordeling

Wettelijk kader:
2.1.
Artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen in het geval van gewijzigde omstandigheden of indien bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. Het criterium daarvoor is het bestaan van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijk
2.2.
Uit de mondelinge behandeling en de stukken blijkt dat de vader niet heeft willen deelnemen aan het OKT traject. De gewenste verbetering is daarom niet tot stand gekomen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven uit noodzaak te berusten in de inwilliging van het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag. De vader wil afstand nemen van de moeder omdat zij volgens hem voortdurend problemen en confrontaties zoekt en hij daar niet tegen bestand is. Hij is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is als het gezag bij de moeder komt te liggen, omdat er dan voor [minderjarige] rust zal ontstaan. De vader stelt dat het contact met de moeder hem gezondheidsproblemen geeft. De vader vindt het zorgelijk dat de moeder het contact tussen hem en [minderjarige] drastisch lijkt te willen verminderen en dat dit contact inmiddels ook is verslechterd. De moeder heeft dit bij de mondelinge behandeling betwist. Zij zet zich er voor in dat het contact tussen [minderjarige] en de vader onverminderd wordt voortgezet. De moeder betreurt de ontstane situatie. Zij had haar hoop gevestigd op het OKT traject. De moeder hoopt dat, als zij het eenhoofdig gezag heeft, de situatie rustiger zal worden voor [minderjarige] . Sensa Zorg heeft aangegeven de begeleiding af te gaan ronden omdat het goed gaat bij beide ouders. Omdat er een lichte vorm van ADHD bij [minderjarige] is geconstateerd, zal Sensa Zorg en een psycholoog [minderjarige] – en de moeder – hierin blijven begeleiden. De Raad heeft zorgen geuit over de dynamiek tussen de ouders en wat het effect hiervan op [minderjarige] is. De Raad zal de zaak ambtshalve meenemen voor een beschermingsonderzoek zodat er zicht op de situatie van [minderjarige] komt.
2.3.
De rechtbank acht, alles overziend, het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag toewijsbaar en in het belang van [minderjarige] . Bij voortduring van de huidige gezag situatie bestaat er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders, gelet op de dynamiek tussen de ouders en hun verstoorde relatie/communicatie. Het is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, gelet op wat hiervoor is overwogen. Door het (eenhoofdig) gezag bij de moeder te beleggen zal er – naar de rechtbank hoopt – meer rust voor [minderjarige] ontstaan. [minderjarige] zal in dat geval niet meer, althans veel minder, wordt geconfronteerd met de conflicten tussen de ouders, wat hem zal ontlasten.

3.De beslissing

3.1.
De rechtbank:
- beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder en belast de moeder voortaan met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
-verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. V. Zuiderbaan, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.O. van Saase-Zaagman, griffier, op 15 februari 2024 en vastgelegd in deze beschikking op 20 februari 2024. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).