ECLI:NL:RBAMS:2024:1245
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring Nederlandse rechter in geschil over terugverhuizing kind naar Nederland
De zaak betreft een kort geding waarin de vader vordert dat de moeder met hun vierjarige kind terugverhuist naar Nederland en een voorlopige omgangsregeling wordt getroffen. De moeder heeft het eenhoofdig gezag en is met het kind verhuisd naar Zuid-Afrika, waar het kind sinds december 2023 verblijft.
De rechtbank beoordeelt of zij rechtsmacht heeft op grond van Brussel II-ter en het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie wordt de gewone verblijfplaats van het kind bepaald aan de hand van integratie in sociale en familiale omgeving. Gezien de jonge leeftijd van het kind en de omstandigheden is de gewone verblijfplaats van het kind Zuid-Afrika.
De moeder woont daar met het kind dicht bij haar familie en sociale netwerk, het kind gaat daar naar school en spreekt geen Nederlands. De vader heeft wel contact via videobellen en bezoekt het kind sporadisch. De rechtbank concludeert dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft omdat het kind niet in Nederland woont en er geen uitzonderlijk geval is dat de bevoegdheid rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd, compenseert de proceskosten en benadrukt dat partijen openstaan voor mediation om goede omgangsafspraken te maken in het belang van het kind.
Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Zuid-Afrika heeft.