De dochter vordert dat de rechtbank verklaart dat haar vader onrechtmatig heeft gehandeld door de verkoop van een beleggingsportefeuille en het overboeken van gelden van gezamenlijke rekeningen zonder toestemming, en dat hij een schadevergoeding van ruim €940.000 moet betalen aan de gemeenschap.
De vader voert verweer en stelt dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren omdat eenzelfde vordering reeds door een ander kind bij de rechtbank in België is ingesteld. De rechtbank onderzoekt de bevoegdheid aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.
De rechtbank concludeert dat de zaak eerst in België is aangebracht en dat de Belgische rechtbank bevoegd is, mede omdat de vader de bevoegdheid van die rechtbank niet betwist. Daarom wijst de rechtbank Amsterdam de vordering van de dochter af wegens onbevoegdheid en veroordeelt haar in de proceskosten.
De proceskosten worden vastgesteld op €9.276, inclusief griffierecht, advocaatkosten en nakosten, met wettelijke rente bij niet tijdige betaling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.