Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Amsterdam, die is vastgesteld op €701.000 voor het kalenderjaar 2022 met peildatum 1 januari 2021. Eiser stelt dat de waarde te hoog is en pleit voor een waarde van €683.000, iets meer dan 2,5% lager dan de vastgestelde waarde.
De heffingsambtenaar onderbouwt de vastgestelde waarde met een taxatierapport waarin vergelijkingsobjecten uit Amsterdam worden gebruikt. De rechtbank benadrukt dat de WOZ-waarde een inschatting is op basis van verkoopgegevens van vergelijkbare woningen en geen exacte wetenschap betreft.
De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de m2-prijs van de vergelijkingsobjecten hoger is dan die van de woning. Eiser heeft zijn tegenargument over een te lage m2-prijs voor dakterrassen niet voldoende onderbouwd.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Tijselink op 22 maart 2024.