Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[verzoeker] ,
Feiten
Procedure
Verzoek
- een bedrag van € 390,- als gevolg van ondergane inverzekeringstelling;
- een bedrag van € 15.800,- als van ondergane voorlopige hechtenis in een Huis van Bewaring.
Rechtbank Amsterdam
De verzoeker werd op 3 september 2022 aangehouden op verdenking van brandstichting en verbleef in voorlopige hechtenis tot 10 februari 2023. Op die datum werd hij ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Gelijktijdig werd een zorgmachtiging afgegeven op grond van artikel 2.3 van de Wet Forensische Zorg (Wfz), waarbij opname in een accommodatie als verplichte zorg werd toegewezen.
De verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 533 Sv Pro tot vergoeding van immateriële schade geleden door de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, ter hoogte van €16.190. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen toekenning van vergoeding omdat de zorgmachtiging een vrijheidsbenemende maatregel is, waardoor geen gronden van billijkheid bestaan.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de verzoeker is ontslagen van alle rechtsvervolging, de gelijktijdige zorgmachtiging die vrijheidsbenemend is, het verzoek tot vergoeding uitsluit. De rechtbank wees het verzoek af en verklaarde zich bevoegd en ontvankelijk. De beslissing is schriftelijk gegeven op 17 januari 2024 door rechter G.M. Beunk.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen vanwege de afgegeven vrijheidsbenemende zorgmachtiging.