ECLI:NL:RBAMS:2024:1642

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
23/2911
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling gehandicaptenparkeerkaart
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Europese gehandicaptenparkeerkaart wegens onvoldoende loopbeperking

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) vanwege een loopbeperking die hem volgens eigen zeggen beperkt tot maximaal 100 meter lopen door pijn in rug en benen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft deze aanvraag afgewezen, waarna ook het bezwaar werd verworpen.

De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze afwijzing en toetst of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het medisch advies van de GGD, dat onderdeel uitmaakte van het zorgvuldige onderzoek van het college, concludeert dat eiser weliswaar een loopbeperking heeft, maar in redelijkheid zelfstandig meer dan 100 meter kan lopen.

De rechtbank stelt vast dat het GGD-advies voldoende objectief en inzichtelijk is en dat er geen redenen zijn om aan de juistheid ervan te twijfelen. Het feit dat eiser aanvullend openbaar vervoer (AOV) heeft toegekend gekregen, verandert hier niets aan omdat de voorwaarden voor AOV verschillen van die voor een GPK.

Daarom oordeelt de rechtbank dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/2911

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. S. Broers).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder (GPK).
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juli 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 mei 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag voor een GPK mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kan eiser meer dan 100 meter lopen?
3.1.
Volgens artikel 1, eerste lid, onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart kunnen bestuurders, die een aantoonbare loopbeperking hebben waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te lopen, in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.
3.2.
Eiser stelt dat hij niet meer dan 100 meter kan lopen en dat zijn aanvraag daarom ten onrechte is afgewezen. Eiser ervaart bij het lopen veel pijn in zijn rug en benen en hij is hiervoor in behandeling bij de pijnpoli. Ook heeft eiser van het college aanvullend openbaar vervoer (AOV) toegekend gekregen en eiser begrijpt niet waarom hij dan niet in aanmerking komt voor een GPK.
3.3.
De hoger beroepsrechter oordeelt in vaste rechtspraak dat het college het bestreden besluit mag baseren op (medisch) advies als die adviezen op een zorgvuldige, inzichtelijke en objectieve manier zijn opgesteld en de conclusies kunnen dragen. [1]
3.4.
Het college heeft bij de beoordeling van de aanvraag van eiser het medisch advies van de GGD betrokken. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoek van het college zorgvuldig is geweest. Het geschilpunt ziet op de conclusie van het onderzoek van het college, namelijk dat eiser in redelijkheid in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter te lopen.
3.5.
De rechtbank is met het college van oordeel dat niet is gebleken dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van het GGD-advies. Het advies bevat voldoende informatie om de conclusie te dragen dat eiser in redelijkheid meer dan 100 meter zelfstandig kan afleggen. Dit betekent niet dat eiser geen pijn ervaart. Het GGD-advies onderkent dat eiser enige vorm van een loopbeperking heeft. De loopbeperking van eiser is alleen niet dermate ernstig dat eiser in aanmerking komt voor een GPK.
3.6
Dat eiser AOV toegekend heeft gekregen van het college, maakt dit niet anders. Om in aanmerking te komen voor AOV gelden namelijk andere voorwaarden dan voor een GPK.
3.7
Het college is daarom op goede gronden tot het oordeel gekomen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde zoals gesteld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
3.8.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen GPK krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Segbedzi, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466