ECLI:NL:RBAMS:2024:1647

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
24/500
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet openbaarheid van bestuurArt. 6:45 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op Wob-verzoek Covid-informatie

Eiseres heeft op 29 januari 2021 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) voor informatie over Covid. Na het uitblijven van een besluit heeft zij meerdere keren beroep ingesteld tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken steeds bepaald dat verweerder binnen veertien dagen moest beslissen, onder dreiging van een dwangsom.

Op 16 januari 2024 heeft eiseres voor de vijfde keer beroep ingesteld, met het verzoek om een dwangsom van €5.000 per dag bij overschrijding. De rechtbank heeft het verzoek om een zitting te houden laten varen en het beroep zonder zitting behandeld. De rechtbank oordeelt dat het uitblijven van besluitvorming na ruim drie jaar excessief is en gaat uit van de toezegging van verweerder om uiterlijk 31 maart 2024 te beslissen.

De rechtbank wijst een nieuwe dwangsom in de eerdere orde van grootte af vanwege de reeds opgelegde dwangsommen van ruim €110.000 en het algemene belang van openbaarmaking. Wel legt zij een dwangsom van €1 per dag op bij overschrijding. Verweerder wordt opgedragen de proceskosten en griffierecht aan eiseres te vergoeden. Eiseres kan bij niet-naleving opnieuw beroep instellen, dat dan met voorrang zal worden behandeld.

Uitkomst: De rechtbank draagt de minister op uiterlijk 31 maart 2024 alsnog te beslissen op het Wob-verzoek onder dreiging van een dwangsom van €1 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. M.S. Bogtstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 29 januari 2021.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft op 29 januari 2021 verzocht om informatie over Covid, op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Wegens het uitblijven van besluitvorming heeft eiseres tot vier keer toe (opnieuw) beroep ingesteld tegen het uitblijven van besluitvorming. Met de uitspraken van 7 juni 2022, 23 november 2022, 9 juni 2023 en 12 december 2023 (de laatste na een zittingbehandeling op 9 december 2023) heeft de rechtbank steeds bepaald dat verweerder binnen veertien dagen een volledig besluit op het verzoek moet nemen, in het laatste geval op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
3. Eiseres heeft op 16 januari 2024 voor de vijfde keer beroep ingesteld. Zij heeft de rechtbank daarbij verzocht om op (uiterlijk) 15 februari 2024 (de datum waarop volgens haar de laatste dwangsomtermijnen tot een totaal van € 50.000 zijn volgelopen) uitspraak te doen en te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt van € 5.000 (subsidiair € 2.500) per dag voor elke dag aan nieuwe termijnoverschrijding.
4. De rechtbank heeft partijen bij brief van 14 februari 2024 voorgesteld de zaak mondeling te behandelen op 10 april 2024, zo nodig onder oproeping van verweerder. Daarbij is verwezen naar de mededeling van verweerder dat hij uiterlijk op 31 maart 2024 volledig op het verzoek zal beslissen.
5. Eiseres heeft in reactie hierop haar verzoek herhaald om het beroep zonder zitting af te doen. De rechtbank zal daaraan gevolg geven en het voornemen om een zitting te beleggen op 10 april laten varen.
6. Inhoudelijk stelt de rechtbank voorop dat de nog altijd uitblijvende besluitvorming van verweerder, ruim drie jaar na het verzoek, niet anders dan excessief is te noemen. Verweerder stelt nu dat hij uiterlijk op 31 maart 2024 op het verzoek zal beslissen. De rechtbank gaat uit van deze laatste toezegging. Het beroep is gegrond en de rechtbank bepaalt dat verweerder uiterlijk op 31 maart 2024 alsnog een (volledig) besluit bekend moet maken.
7. Waar de zitting van 10 april a.s. geen doorgang vindt, kan de rechtbank verweerder daar niet aanspreken op een onverhoopt tekortschieten in het op uiterlijk
31 maart a.s. beslissen op het verzoek van eiseres. Op verweerder rust echter onverkort de rechtsplicht uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze uitspraak opnieuw een dwangsom op te leggen in de orde van grootte zoals eerder is gebeurd. De rechtbank wijst er daarbij allereerst op dat de eerder opgelegde dwangsommen een totaal ter hoogte van € 110.075,- beslaan. Ook dat totaalbedrag is excessief te noemen, zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen dat de dwangsommen worden voldaan uit de algemene middelen die door ons allen gezamenlijk dienen te worden opgebracht. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat dwangsommen weliswaar toekomen aan eiseres, maar dat de onderliggende procedure een procedure op grond van de Wob is, waarin niet de subjectieve belangen en rechten van een individu (zoals eiseres) centraal staan, maar een (ander) algemeen belang, dat van openbaarmaking voor eenieder. Dat staat op zijn minst op gespannen voet met een verdere toekenning van een dwangsom aan eiseres.
9. Dat betekent echter niet dat eiseres van rechtsbescherming verstoken blijft. Mocht verweerder op 31 maart 2024 niet hebben beslist, dan staat het eiseres vrij om nogmaals beroep in te stellen. Door een dwangsom van € 1,- per dag voor de maximumduur van 1 dag op te leggen, staat voor eiseres bij een falen van verweerder vrijwel direct de weg naar de rechter open. De rechtbank zal een dergelijk beroep dan met voorgang op een meervoudige zitting behandelen en verweerder daarbij oproepen. Op die zitting kan vanzelfsprekend ook nader van gedachten gewisseld kunnen worden over de hiervoor onder 8 geschetste spanning, maar ook over door verweerder te bieden (andere) waarborgen voor daadwerkelijke besluitvorming of een grotere en controleerbare transparantie daarvan. De rechtbank gaat er vooralsnog echter vanuit dat verweerder er zorg voor draagt dat een dergelijke zitting niet nodig zal zijn.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op uiterlijk 31 maart 2024 alsnog een besluit bekend te maken op de aanvraag op straffe van een dwangsom van € 1 bij overschrijding van die termijn;;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. van der Kroft, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.