Juridisch kader
5. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.
6. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3, van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (hierna: de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd.
7. De laatste wijziging van de Kennisgeving is op 17 mei 2022 in de Staatscourant gepubliceerd en op 18 mei 2022 in werking getreden. De rechtbank zal de gewijzigde Kennisgeving hierna aanduiden als de Kennisgeving 2022.
8. De Kennisgeving maakt onderscheid tussen basisvoorzieningen en aanvullende voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen. Basisvoorzieningen zijn benzinestations, wegrestaurants, servicestations en energielaadpunten. In de Kennisgeving 2022 staan zeven cumulatieve criteria waaraan wordt getoetst om te beoordelen of een voorziening aanvullend is. Niet in geschil is dat de minister al aan die criteria toetste voordat deze met de Kennisgeving 2022 werden gecodificeerd. Voor de beoordeling van dit beroep zijn het vierde en het zevende criterium relevant. Het vierde criterium houdt in dat de aanvullende voorziening er niet toe leidt dat de verkeersstromen in complexiteit toenemen of ten koste gaan van de (verkeers)veiligheid op de verzorgingsplaats. Een aanvullende voorziening mag de doorstroming van de verkeersstromen niet belemmeren. Het zevende criterium houdt in dat de aanvullende voorziening er niet toe mag leiden dat niet meer wordt voldaan aan de geldende parkeernorm op grond van het Kader inrichting verzorgingsplaatsen. De kosten van eventuele compensatie van parkeerplaatsen komen voor rekening van de aanvrager.
9. Verder hanteert de minister beleid dat is neergelegd in het Kader inrichting verzorgingsplaatsen, laatstelijk vastgesteld op 20 februari 2019 (hierna: het Kader).
Beoordeling door de rechtbank
10. De rechtbank beoordeelt of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning aan Total te verlenen. Dat doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van Fastned in het ‘Nader stuk’ van 9 oktober 2023 dat Fastned op verzoek van de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank beschouwt daarmee het eerder ingediende beroepschrift als vervangen en de daarin genoemde gronden als ingetrokken.
11. Fastned voert aan dat de vergunning voor de energielaadpunten in strijd is met het vierde criterium van de Kennisgeving 2022. De verkeerstromen nemen in complexiteit toe, omdat de laadlocatie is voorzien op parkeerplaatsen die in de dieselstraat van het benzinestation liggen. Dit leidt tot verkeersbewegingen die onveilige situaties kunnen veroorzaken. Personenauto’s zullen de laadplekken achteruit moeten verlaten, automobilisten die hun elektrische auto hier gaan opladen zullen vanaf de opstelplaatsen van het laadstation de dieselstraat oversteken richting de shop van het benzinestation en vrachtwagens zullen gehinderd worden bij het rijden naar de speciaal voor hen bestemde tankzuilen. De vergunde energielaadpunten kwalificeren daarom niet als aanvullende voorziening. Fastned verwijst naar het besluit van 21 augustus 2023 dat ziet op verzorgingsplaats [verzorgingsplaats 2] . Daar is de aanvraag voor een laadlocatie aan de rechterzijde van het voorterrein ter hoogte van de dieselstraat afgewezen. Daarnaast verwijst Fastned naar het besluit op bezwaar van
31 juli 2023 dat ziet op verzorgingsplaats [verzorgingsplaats 3] .
12. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de nadere verkeerskundige beoordeling van 31 oktober 2023 blijkt dat er geen grote toename zal ontstaan van personenauto’s of een wijziging van het soort verkeersstroom, omdat op deze locatie al een inmenging van verkeer plaatsvond (vrachtwagens en personenauto's). Er waren namelijk al parkeerplaatsen op het rechtergedeelte van het voorterrein. Er is voldoende zicht op de laadlocatie vanaf de toerit en de rijsnelheid is hier maximaal dertig kilometer per uur. Het moeten verrichten van in- en uitparkeerbewegingen is niet relevant voor de verkeersstromen, waarbij bovendien geldt dat deze bewegingen al plaatsvinden. Het realiseren van de energielaadpunten langs de aanrijroute voor het vrachtverkeer is vanuit verkeersveiligheid gezien niet geheel wenselijk, maar zal niet leiden tot een verslechtering van de situatie. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op de verkeerskundige beoordeling, waarin ook een ritanalyse is opgenomen, heeft kunnen baseren. Fastned heeft geen tegenrapport overgelegd om de conclusie in de verkeerskundige beoordeling te bestrijden of te weerleggen. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde energielaadpunten veilig kunnen worden ingepast op deze verzorgingsplaats.
13. De situatie op verzorgingsplaats [verzorgingsplaats 1] is verder niet vergelijkbaar met de situatie op verzorgingsplaatsen [verzorgingsplaats 2] en [verzorgingsplaats 3] . De aanvraag op verzorgingsplaats [verzorgingsplaats 2] zag op een laadlocatie rechts van de shop meteen achter de dieseltankzuilen op niet-parkeervakken die (door de exploitant) voorbehouden waren aan personeel, waardoor de laadlocatie consequenties zou hebben voor het wegrijdend vrachtverkeer. Bij verzorgingsplaats [verzorgingsplaats 1] komt de aanvullende voorziening juist een stuk voor de tankzuilen. Het betreft dus een andere situatie. Op verzorgingsplaats [verzorgingsplaats 3] ging het om een aanvullende voorziening met zelfstandige in- en uitrit op het voorterrein, terwijl bij verzorgingsplaats [verzorgingsplaats 1] geen sprake is van een zelfstandige in- en uitrit. De beroepsgrond slaagt niet.
14. Fastned voert aan dat uit de tekening bij de vergunning blijkt dat niet wordt voldaan aan het criterium van de minimale parkeernorm. Naast parkeerplekken voor het personeel moeten op het terrein van een benzinestation vijf parkeerplaatsen zijn die geschikt zijn voor kort parkeren bij de shop, waarvan ten minste één mindervalideparkeerplaats. Op de tekening zijn in totaal zes parkeerplaatsen te zien. Twee daarvan zullen worden gebruikt voor het laadstation, er is geen gehandicaptenparkeerplaats en de overige vier parkeerplaatsen zullen gebruikt worden door het personeel van het benzinestation, aldus Fastned .
15. De minister legt de beleidsregel aldus uit dat een aanvullende voorziening er inderdaad niet toe mag leiden dat niet meer voldaan wordt aan de geldende parkeernorm, maar dat het criterium niet de verplichting meebrengt dat een vergunninghouder er eerst voor moet zorgen dat wordt voldaan aan de parkeernorm, waarna pas een laadlocatie gerealiseerd kan worden. Als er al niet werd voldaan aan de parkeernorm, dan hoeft dat dus niet met de vergunning te worden gecompenseerd. De rechtbank vindt dit geen onredelijke uitleg.