ECLI:NL:RBAMS:2024:2131

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
C/13/748700 / HA RK 24-111
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen bestuursrechter K.S. Man in een lopende bestuursrechtelijke beroepszaak, stellende dat de rechter niet onpartijdig zou zijn vanwege het niet tijdig beslissen over het horen van een getuige en de beoordeling van het verweerschrift.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 Awb Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is vastgesteld dat rechterlijke beslissingen en hun motivering in beginsel geen grond voor wraking vormen, tenzij er objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestaat.

De wrakingskamer concludeert dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een dergelijke vrees rechtvaardigen. De rechter had bovendien nog geen definitieve beslissing genomen over het horen van de getuige. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

De beslissing is uitgesproken op 5 april 2024 en is niet vatbaar voor beroep of hoger beroep.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen bestuursrechter K.S. Man wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 2 april 2024 ter zitting gedane en onder rekestnummer C/13/748700 / HA RK 24/111 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. K.S. Man, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
- het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer op 2 april 2024 met daarin opgenomen het verzoek tot wraking.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Bij de rechtbank is een beroepszaak van verzoeker in behandeling (zaaknummer AMS 23/2253).

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat
het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
Blijkens het proces-verbaal heeft verzoeker onder meer aangevoerd:
“ik ga door naar het verzoek om wraking. De gronden daarvan: ik heb voorafgaand aan de zitting een getuige opgeroepen en de rechtbank een verzoek gedaan om de getuige zelf te horen en op te roepen als hij geen gehoor zou geven aan mijn verzoek. Ik heb uitgelegd waarom ik de getuige wil horen. Er is al drie jaar onduidelijkheid over de vraag welke acht documenten betrekking hebben op mijn Wob-verzoek en dat is erkend door verweerder. Er zijn meerdere keren onjuiste stukken verstrekt door verweerder en daarom wil ik de getuige horen. Door de rechtbank is telefonisch toegezegd dat daarover aan het begin van de zitting een beslissing zou worden genomen. Nu wordt gezegd dat daarover na de zitting een beslissing wordt genomen. We houden nu een zitting over 8 documenten waarvan we niet weten welke documenten dat zijn. U stelt mij niet in de gelegenheid om daarover duidelijkheid te krijgen. Ik kan mijn pleidooi daar niet op instellen. Er is een toezegging gedaan door de rechtbank. Er zou aan het begin van de zitting een beslissing over mijn verzoek worden genomen. En u heeft niet toegelicht waarom u het nu niet wenst toe te lichten. En u de indruk wekt dat u nu wel de juiste 8 documenten heeft. En mijn tweede grond is, dat het verweerschrift niet buiten beschouwing wordt gelaten en dat u gezegd heeft dat ik wel nadere stukken heb kunnen indienen. En u hebt gezegd dat ik die stukken eerder had kunnen indienen, maar het gaat erom dat ik dat pas kon doen naar aanleiding van het verweerschrift. U heeft ook een opmerking gemaakt, dat de zaak goed is voorbereid. Dat partijen dat hebben gedaan, dat geldt niet voor mij. Want ik heb mij niet kunnen voorbereiden vanwege de late ontvangst van het verweerschrift.”.
3.5.
Een rechterlijke beslissing, zoals een beslissing om een getuige al dan niet te horen en het verweerschrift niet buiten beschouwing te laten is geen grond tot wraking, zoals volg het hierboven genoemde arrest. Door verzoeker is niet gesteld dat de motivering van de beslissingen blijk geeft van vooringenomenheid. Bovendien had de rechter zoals ook blijkt uit het proces-verbaal nog geen beslissing over de stukken genomen. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.