Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:2156

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
16 april 2024
Zaaknummer
C/13/737508 / FA RK 23-5036
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:229 BWArt. 1:230 BWArt. 1:253t BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing adoptie en gezamenlijk gezag voor minderjarige in duomoederrelatie

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van twee vrouwen die samen een relatie hebben en kinderen via zelfinseminatie met dezelfde donor hebben gekregen. De tweede verzoekster had reeds de adoptie van het eerste kind uitgesproken gekregen. Nu werd de adoptie van het tweede kind door dezelfde verzoekster gevraagd, met behoud van de familierechtelijke betrekking tussen het kind en de biologische moeder.

De Raad voor de Kinderbescherming werd niet verzocht een onderzoek te doen, ondanks dat deze dit zelf wilde en om aanhouding vroeg. De rechtbank oordeelde dat geen aanleiding bestond voor aanhouding, mede gelet op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die het belang van een juridische afstammingsband benadrukt.

De rechtbank overwoog dat hoewel erkenning van ouderschap mogelijk is, de adoptie in deze situatie voldoende belang dient. De adoptie werd toegewezen omdat deze in het belang van het kind is en aan de wettelijke vereisten is voldaan. De adoptie werkt terug tot de geboortedatum van het kind.

Verder werd bepaald dat de verzoeksters gezamenlijk het ouderlijk gezag over het kind zullen uitoefenen, ook al voordat de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de verzorgingstermijn van een jaar wordt voorbijgegaan omdat dit in het belang van het kind is. De familierechtelijke betrekking met de biologische moeder blijft behouden.

De beschikking werd door rechter L. van der Heijden uitgesproken op 17 april 2024 en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de adoptie toe en bepaalt dat de verzoeksters gezamenlijk het gezag over het kind uitoefenen, ook voorafgaand aan het in kracht van gewijsde gaan van de adoptiebeslissing.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/737508 / FA RK 23-5036 (LH MW)
Beschikking van 17 april 2024 betreffende adoptie
in de zaak van:

1.[verzoekster 1] ,

en

2.[verzoekster 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen verzoeksters,
advocaat mr. V.W.J.M. Kuit te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het op 2 augustus 2023 ingekomen verzoek, voorzien van producties;
  • een F-9 formulier van verzoeksters van 7 december 2023, voorzien van een verzoek tot wijziging van het verzoek en aanvullende producties;
  • een brief van de Raad van 30 januari 2024;
  • een F-9 formulier van verzoeksters van 30 januari 2024;
  • de brief van de Raad van 14 februari 2024 en
  • de brief van de Raad van 27 maart 2024.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.3.
De datum van de beschikking is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Verzoeksters hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Verzoeksters hebben een relatie met elkaar en wonen samen. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2022.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 maart 2022 heeft de rechtbank de adoptie van dochter [minderjarige 1] door verzoekster [verzoekster 2] uitgesproken. In deze beschikking is tevens vastgesteld dat verzoeksters hebben verklaard dat [minderjarige 1] de geslachtsnaam ‘ [Achternaam verzoekster 2] ’ zal hebben.
2.4.
Uit hun relatie is uit verzoekster [verzoekster 1] op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats] [minderjarige 2] geboren.
2.5.
[minderjarige 2] is door en ten gevolge van zelfinseminatie met semen van [naam donor] , hierna te noemen de donor, verwekt. Uit de ondertekende verklaring van de donor blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen de verzochte adoptie. Tussen de donor en de minderjarige is geen sprake van
family life.
2.6.
[verzoekster 1] is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .

3.Het verzoek

3.1.
Verzoekster verzoeken – na wijziging van hun verzoek – :
  • de adoptie uit te spreken van [minderjarige 2] door verzoekster [verzoekster 2] ;
  • te verstaan dat de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoekster [verzoekster 1] en [minderjarige 2] in stand blijft na de adoptie door [verzoekster 2] ;
  • te bepalen dat verzoeksters, al voordat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] zullen uitoefenen.
3.2.
Verzoeksters wijzen erop dat reeds bij beschikking van 23 maart 2022 de rechtbank de adoptie van hun dochter [minderjarige 1] door verzoekster [verzoekster 2] heeft uitgesproken. [minderjarige 1] is door en ten gevolge van zelfinseminatie verwekt, waarbij gebruik is gemaakt van het semen van [naam donor] . Verzoekster [verzoekster 1] is opnieuw zwanger geraakt door middel van zelfinseminatie waarbij opnieuw gebruik is gemaakt van het semen van deze bekende donor.

4.De beoordeling

De Raad
4.1.
Aan de Raad is op grond van artikel 2.6 van het procesreglement Adoptie een kopie van het verzoekschrift gezonden. De rechtbank heeft, nu zij daar in zaken als onderhavige in beginsel geen behoefte aan heeft, de Raad niet verzocht een onderzoek te doen en advies uit te brengen. De Raad heeft de rechtbank evenwel laten weten in deze zaak zelf onderzoek te willen doen en in verband hiermee verzocht om aanhouding van de zaak. De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Mennesson v. France (no. 65192/11, ECHR 185, 2014) en de ‘advisory opinion’ van het EHRM van 10 april 2019 (no. P16-2018-001) blijkt dat het EHRM het in het belang van het kind acht dat het een juridische afstammingsband heeft met de personen die het verzorgen en opvoeden, ook indien tussen hen geen genetische band bestaat. Daarbij wordt het in het in het belang van het kind geacht dat de periode vanaf de geboorte van het kind totdat de juridische band met de wensouders is gevestigd, zo kort mogelijk is, zodat het kind minder lang in een onzekere positie verkeert. De rechtbank ziet, mede nu de Raad niet duidelijk heeft gemaakt waarom juist in onderhavige zaak aanleiding is voor een onderzoek en waarom voor een lange periode om aanhouding wordt verzocht, geen aanleiding de zaak verder aan te houden en zal op het verzoek beslissen.
Adoptie
4.2.
De rechtbank overweegt dat er in beginsel er in beginsel geen noodzaak meer is om in zaken als de onderhavige juridisch ouderschap te verkrijgen middels een adoptieprocedure. Verzoekster [verzoekster 2] kan immers ook door erkenning het ouderschap verkrijgen. Aangezien deze vorm van ouderschap internationaal nog niet gangbaar is en vaak nog niet onvoorwaardelijk wordt erkend, is de rechtbank van oordeel dat verzoeksters voldoende belang hebben bij hun verzoek.
4.3.
De rechtbank zal het verzoek tot adoptie toewijzen, nu gebleken is dat de adoptie kennelijk in het belang van de minderjarige is en aan het gestelde in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor zover van toepassing is voldaan. Duidelijk is geworden dat de donor geen rol zal spelen in de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] .
4.4.
Aangezien het onderhavige verzoek tot adoptie is ingediend vóór de geboorte van [minderjarige 2] , werkt deze adoptie gelet op het bepaalde in artikel 1:230, tweede lid, BW terug tot het tijdstip van de geboorte van de minderjarige, te weten tot [geboortedatum 2] 2023.
Familierechtelijke betrekking
4.5.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 1:229 lid 3 BW Pro de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten blijft bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder de minderjarige adopteert.
Gezamenlijk gezag
4.6.
Verzoeksters wensen uitdrukkelijk zo spoedig mogelijk en ook al voordat de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan gezamenlijk te worden bekleed met het gezag over [minderjarige 2] .
4.7.
Ingevolge artikel 1:229, vierde lid, BW oefenen de adoptiefouders die niet met elkaar zijn gehuwd of door een geregistreerd partnerschap zijn verbonden door adoptie het gezag over de geadopteerde gezamenlijk uit. Het vorenstaande brengt mee dat [verzoekster 2] , op het moment waarop deze beschikking in kracht van gewijsde zal zijn gegaan en zij daarmee juridisch ouder van [minderjarige 2] is geworden, van rechtswege met de moeder gezamenlijk belast zal zijn met het gezag over [minderjarige 2] .
4.8.
Ingevolge artikel 1:253t BW kan indien het gezag over een kind bij één ouder berust, de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge lid 2 van dit artikel wordt in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad.
4.9.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 2] dat de wensouders totdat de beslissing ten aanzien van de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, samen belast zullen zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek om voor deze periode [verzoekster 2] op grond van artikel 1:253t BW tevens te belasten met het ouderlijk gezag daarom toewijzen en daarbij voorbij gaan aan de verzorgingstermijn van lid 2. De rechtbank is van oordeel dat deze termijn in de onderhavige situatie geen redelijk doel dient, mede gelet op het feit dat verzoeksters nadat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege belast zullen zijn met de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag.
4.10.
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
spreekt uit de adoptie door verzoekster [verzoekster 2] van de minderjarige:
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2023.
5.2.
bepaalt dat verzoeksters
vanaf heden het gezamenlijk ouderlijk gezagover voornoemde minderjarige zullen uitoefenen en gelast de griffier in het gezagsregister hiervan een aantekening te maken;
5.3.
verklaart de beslissing met betrekking tot het gezag uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akten toe te voegen;
5.5.
verstaat dat de familierechtelijke betrekking met de biologische moeder [verzoekster 1] in stand blijft.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. L. van der Heijden, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.W. van der Weel, griffier, op 17 april 2024. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).