De ouders van een negenjarig meisje kunnen niet op een volwassen wijze communiceren, wat leidt tot een loyaliteitsconflict bij het kind. De rechtbank heeft daarom een zorgregeling vastgesteld op grond van artikel 1:253a BW, waarbij het kind eens per twee weken van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader verblijft. Hierbij wordt de overdracht zo ingericht dat de ouders elkaar zo min mogelijk ontmoeten om het kind te beschermen tegen de negatieve gevolgen van de verstoorde ouderrelatie.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar het contact verloopt moeizaam en het hulpverleningstraject bij Ihub is mislukt. De rechtbank constateert dat het kind hierdoor risico loopt op emotionele schade en dat de ouders hun conflicten niet weten te overwinnen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een regeling waarbij de ouders elkaar zo min mogelijk zien, wat door de rechtbank is overgenomen.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot een dwangsom af, omdat de uitvoering van de regeling aan hem wordt overgelaten en niet afhankelijk is van medewerking van de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam.